Bundel 13
Dertiende conferentie Het Schoolvak Nederlands
P.M. Nieuwenhuijsen
2000
156 pagina's
Kolb onderscheidt vier leerstijlen:
-
Accomodeerdersleerstijl. Leren via direct experimenteren met nieuwe dingen, ondervinden door middel van ervaring opdoen.
-
Divergeerdersleerstijl: Nieuwe informatie vanuit verschillende invalshoeken bekijken en
erop reflecteren. Geen diepgaande analyse, maar observaties in open leersituaties.
-
Assimileerdersleerstijl: de waarom-vraag staat voorop en niet de praktische relevantie. De achtergronden van de leerstof worden uitgezocht en geordend.
-
Convergeerdersleerstijl: leerstof moet helder uitgelegd en gestructureerd aangeboden worden. Toepasbaarheid staat voorop. Nieuwe informatie moet aansluiten bij wat men weet en kan.
In het reguliere onderwijs wordt de convergeerstijl het meest door docenten gebruikt: theorie aanbrengen die aansluit bij de beginsituatie dan oefenen en toepassen en vervolgens resultaten beoordelen.
Volgens Kolb voltrekt het leren zich als een cyclisch proces. Binnen deze cyclus worden vier stadia onderscheiden die van de leerder ook de bijpassende vaardigheden vereisen:
-
Concrete ervaringen en de vaardigheid om nieuwe ervaringen op te kunnen en durven doen.
-
Reflectie observatie en daarbij de vaardigheid om ervaringen vanuit verschillende invalshoeken te kunnen observeren en overdenken.
-
Vorming van abstracte begrippen en concepten en de vaardigheid om overdachte ervaringen in abstracte begrippen te verwoorden, ze in te passen in begrippenkaders van andere theorieën en in het eigen reeds aanwezige begrippenstelsel.
-
Toetsing van deze begrippen in nieuwe situaties en de vaardigheid om abstracte begrippen te toetsen en te gebruiken in nieuwe situaties.
In praktijk hebben de mensen deze vaardigheden niet alle even goed ontwikkeld. Ze hebben wel voorkeuren ontwikkeld voor bepaalde vaardigheden. Dat uit zich bij door een bepaald patroon bij het aanpakken van leertaken of bij het aanpakken van problemen. Een voorbeeld hiervan is het leren een nieuwe wasmachine te bedienen. De een zal direct op allerlei knoppen beginnen te drukken daarbij gebruik makend van hij al weet over de bediening van een soortgelijk apparaat. Hij leert/heeft geleerd vanuit de concrete ervaring het handelen bij te stellen op basis van wat er goed of fout gaat. In tweede instantie zal hij de gebruiksaanwijzing erbij pakken. De ander zal na het installeren nauwgezet de handleiding van a tot z doorlezen om pas daarna tot handelen over te gaan.
Kolb geeft aan dat, afhankelijk van de voorkeur van een individu het leren begint in een van de vier stadia die vervolgens alle kloksgewijs doorlopen moeten worden. Er is pas sprake van leren als alle vier de stadia doorlopen zijn. Omdat leerstijlen verschillend zijn en de aanleg voor een bepaalde leerstijl bij kinderen ook al aanwezig is, is het voor de didactische aanpak in een groep belangrijk om daaraan tegemoet te komen en te oefenen met verschillende vaardigheden. Het is daarom belangrijk dat binnen de leertaken steeds verschillende instappunten van de cirkel van Kolb gekozen worden. Het leerproces kan bijvoorbeeld starten met concrete ervaringen. De concrete ervaringen van de leerders dienen dan als uitgangspunt voor hetgeen men gaat leren (dat kan binnen of buiten de schoolmuren zijn). Deze ervaringen worden vervolgens als onderwerp voor reflectie gebruikt. Er worden feiten over verzameld. Deze feiten worden vanuit meerdere invalshoeken bekeken en geanalyseerd. Men gaat conclusies trekken en dan wordt er een theorie aan deze feiten gekoppeld. Dat gebeurt door de vorming van abstracte begrippen. Tenslotte wordt deze theorie getoetst in nieuwe situaties. Men gaat actief experimenteren. Men gaat een andere vorm van gedrag, of een andere soort oplossing voor een probleem uitproberen (= transfer). Dit vormt dan weer de basis voor de volgende cyclus.
41