lezen de mensen het verhaal niet"). Met deze laatste opmerking probeert Willy zijn leerlingen als schrijvers leesbereidheid bij hun lezers op te wekken6.
Hoewel Willy niet zoveel over het einde opmerkt, hecht hij er wel degelijk waarde aan: "En het verhaal heeft ook een slot. Ik moet kunnen merken dat het verhaal naar een einde gaat. En dat mag niet door eronder te zetten: EINDE." Dit past ook weer precies binnen de regels van de klassieke retorica, omdat Willy het einde niet plotseling wil laten verschijnen, maar zijn leerlingen aanzet om er naartoe te schrijven. En dat sluit weer aan bij de retorische regels, want volgens de retorica gaat het om het veiligstellen van de naar voren gebrachte ideeën in de rede of het opstel. Rest ons nog het middendeel, het medium:
"Die Mitte ist dem eigentlichen Stoff gewidmet und ist untergeteilt in einen unterrichtenden (propositio oder narratio) und einen beweisenden (argumentatio) Teil." (Lausberg, 19673: 29)
En ook nu sluit Willy's opmerking over het medium naadloos aan bij de klassieke retorica. Hij zegt immers: "Het middenstuk van het verhaal, daar gebeurt het allemaal. De aardige, leuke, spannende dingen." Het gaat Willy dus om "dem eigentlichen (curs., MB & MB) Stoff". "Je moet een goed begin hebben. Een verhaal heeft een begin", vervolgt Willy. Op de grens tussen deze twee zinnen vindt er een tweede repair plaats, want Willy realiseert zich blijkbaar dat hij de eerste stap van de driedeling (het begin) nog niet heeft genoemd. Daarna vervolgt hij: "Dat begin moet goed pakkend zijn." Vanuit het perspectief van journalist, een perspectief dat sterk lezersgericht is, zegt Willy dat het begin goed pakkend moet zijn. De lezer moet immers als het ware gegrepen worden door het begin en het verhaal in worden getrokken. En in het perspectief van schoolmeester, dat sterk leerlinggericht is, zegt Willy dat een verhaal uit drie stukken is opgebouwd. Beide perspectieven wisselen elkaar af, wat gebeurt op de plaats van de repair. Er heerst hier dus een spanningsveld tussen het leerlingconcern (Willy als schoolmeester) en het lezersconcern (Willy als journalist).
Met zijn volgende uitspraak: `Xxx <Dat je zegt:> "HÉÉ, imiteert Willy een lezer die zich laat meeslepen door de euforische ervaring die verkregen is door het lezen van een begin dat pakkend geschreven is. Dit illustreert dat er naast het journalist- en schoolmeesterperspectief, ook sprake is van een lezers- en schrijversperspectief. De overgang waarop het perspectief van de schrijver verandert in dat van de lezer, vindt plaats voor de uiting "HEE". Willy vervolgt: "De le...". Dan stopt hij met praten. Hier vindt wederom een repair plaats, waarna Willy doorgaat met zijn uiting. Als we de intentie van Willy reconstrueren, concluderen we dat hij hier "de lezer" had willen zeggen. Willy verplaatst zich dus in de lezer van de tekst (lezersperspectief). Hij herstelt zijn uiting "De le..." en gaat vervolgens verder met "Ik schrijf het", waarmee hij terugkeert naar het schrijversperspectief. Het tegenstellend voegwoord `maar' dat direct daarop volgt: "maar iemand die mijn verhaal leest, wil het ook helemaal uitlezen, want het is een goed verhaal" duidt op de volgende wisseling van perspectief. Daar begint weer het lezersperspectief.
De crux is dat Willy deze laatste mededeling vanuit een 'verkeerd' perspectief uit. Willy bevindt zich in het lezersperspectief ("...iemand die mijn verhaal leest..."), maar hij uit zich in dat lezersperspectief vanuit het schrijversperspectief ("... [die] wil het ook helemaal uitlezen, want het is een goed verhaal"). Als lezer doet Willy hier een uitspraak die op het conto van een schrijver is te schrijven. Dit door elkaar lopen van twee verschillende perspectieven kan
6 Het benevolum parare komt overigens niet direct terug in het incident. Dat wil uiteraard niet zeggen dat Willy er geen waarde aan hecht.
5