taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 14

Veertiende conferentie Het Schoolvak Nederlands
André Mottart
2001
480 pagina's

De luisteraar (en in de meeste gevallen ook de spreker) stelt zich voor de luistertaak daarom best vragen over de context:

  • Wie is de spreker?

  • Over wat voor soort gesproken tekst gaat het?

  • Ben ik vertrouwd met dit soort gesproken teksten?

  • Welke kenmerken (doel, opbouw, taalgebruik) heeft zo'n tekst?

  • Waarom wordt de informatie gegeven?

  • Waarom luister ik hiernaar? Enz.

1.2 Oriënteren op de luistertaak

Vaak loopt het luisterproces bij het oriënteren op de luistertaak al fout. De volgende situatie is immers niet fictief. De leerkracht geschiedenis toont bij de uiteenzetting van de Industriële Revolutie een documentaire. De meeste leerlingen zitten verveeld naar het videofragment te staren, omdat het onderwerp hen niet aanspreekt. Enkele leerlingen maken aantekeningen. In de nabespreking wil de leerkracht dat de leerlingen de vier stadia van de Industriële Revolutie kunnen opnoemen die in het fragment aan bod kwamen en deze stadia kunnen typeren. Slechts weinig leerlingen kunnen aan het onderwijsleer-gesprek deelnemen, omdat die informatie hen volledig ontgaan is.

Zowel bij onze leerlingen als bij onszelf en onze collega's zou daarom voor de start van het eigenlijke luister-, en in dit geval ook kijkproces, moeten doordringen wat de eigenlijke bedoeling van de gesproken tekst is. De leerkracht zou in bovenstaand voorbeeld kunnen aankondigen dat het fragment de basis zal vormen van een diepgaand onderwijsleergesprek waarin eerder geleerde inhouden gesitueerd zullen worden in een historisch overzicht van vier stadia. De leerlingen moeten in dat geval de vier stadia eruit zien te halen en moeten ook proberen om de andere informatie uit het videofragment en de eerder geziene leerstof te situeren binnen deze stadia. Op deze manier beseffen de leerlingen waarom ze naar het fragment kijken en luisteren en weten ze ook hoe ze de informatie moeten verwerken.

In deze stap van het luisterproces stelt de luisteraar zich daarom de volgende vragen:

  • Waarvoor dient de informatie die ik opdoe?

  • Met welke luisterstrategie kan ik dit het best bereiken?

Op deze laatste vraag bestaan verschillende antwoorden afhankelijk van het luisterdoel. Het luisterdoel bepaalt de strategie die je hanteert.

Er bestaan verschillende strategieën waarvan ik er hieronder enkele beschrijf.

a. Globaal luisteren: De luisteraar vormt zich een beeld van de hoofdidee of -vraag die in de tekst naar voren komt. Dit globaal beeld bevat weinig randinformatie en zeker geen details.

32 1 Leren noteren - Tom Sleeuwaert

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties