Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 15 | Vijftiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (2002)

Bijdrage: Het schoolvak argumentatie (Frans van Eemeren, Peter Houtlosser & Francisca Snoeck Henkemans)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

  1. Nee, daar ben ik tegen. Dat hoeft toch helemaal niet. Levenslang is net zo erg. En het leven is er niet om het af te nemen van een crimineel. Maar ik weet natuurlijk niet hoe het zit met zijn emoties. Als mensen hem echt haten om wat hij heeft gedaan, wil hij misschien wel liever dood.

In dit betoogje geeft het geïnterviewde meisje twee hoofdargumenten tegen de doodstraf: 'Dat hoeft toch helemaal niet' en 'Het leven is er niet om het af te nemen van een crimineel'. Haar argumentatie komt erop neer dat de doodstraf overbodig is en dat men niet het recht heeft over andermans leven te beschikken, zelfs niet als het om dat van een crimineel gaat. Het eerste hoofdargument, 'Dat hoeft toch helemaal niet', wordt ondersteund met een ander argument: 'Levenslang is net zo erg'. De twee hoofdargumenten kunnen elk als een zelfstandige verdediging worden opgevat, want zelfs als de doodstraf niet overbodig zou zijn, zou het argument dat men niet het recht heeft over andermans leven te beschikken nog steeds afdoende kunnen zijn.

Lastiger is het om te bepalen welke rol de laatste twee zinnen precies vervullen. Er zijn twee mogelijkheden. De tegenwerping dat de crimineel misschien zelf wel liever dood wil, zou als afzwakking kunnen fungeren van het tweede hoofdargument. In dat geval is de tegenwerping een voorbehoud bij dat argument: het leven is er niet om het af te nemen van een crimineel, tenzij de crimineel dat zelf wil. In die interpretatie zou het argument van het meisje komen te vervallen als 'de crimineel' zelf voor de doodstraf kiest. De tweede mogelijkheid is dat de tegenwerping niet op het net genoemde argument slaat, maar een manier is om duidelijk te maken dat het standpunt wellicht niet voor de rechtstreeks betrokkenen aanvaardbaar zal zijn. In dat geval maakt het meisje duidelijk dat ze op een gemengd verschil van mening over haar standpunt anticipeert: zijzelf is tegen de doodstraf, maar degenen die de straf zouden moeten ondergaan misschien niet.

Laten we ter afsluiting van deze voorbeeldanalyses nog even naar reactie (8) kijken:

  1. Nee, daar ben ik een beetje tegen. Het heeft niet zoveel zin om iemand te vermoorden die zelf iets heel ergs heeft gedaan, want dan merkt hij er niks meer van. Ik vind, iemand die iets heel ergs heeft gedaan, die moet in de gevangenis, of heel zwaar werk doen, zodat hij berouw kan voelen. Maar ik snap wel, dat je dan bang bent en dat je het liefst wil dat die moordenaar gedood wordt. Maar ik gun die moordenaar de doodstraf niet.

In dit betoogje worden twee hoofdargumenten gegeven tegen de doodstraf: het heeft geen zin iemand te vermoorden die iets ergs heeft gedaan, terwijl het wel zin heeft om zo iemand naar de gevangenis te sturen of zwaar werk te laten doen. De argumenten vullen elkaar aan en moeten samengenomen worden, omdat het argument dat de doodstraf geen zin heeft aan kracht zou inboeten als er geen zinvol alternatief zou zijn. Elk van deze twee nevengeschikte argumenten wordt van een nadere ondersteuning voorzien: het heeft geen zin iemand te vermoorden, want dan merkt hij er niets meer van en het heeft wel zin om iemand gevangenisstraf of dwangarbeid te geven, want dan kan hij berouw voelen.

Ook het meisje dat hier aan het woord is anticipeert op een mogelijke tegenwerping

Het schoolvak argumentatie - Frans van Eemeren, Peter Houtlosser & Francisca Snoeck Henkemans 1 105