Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 15 | Vijftiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (2002)

Bijdrage: Het schoolvak argumentatie (Frans van Eemeren, Peter Houtlosser & Francisca Snoeck Henkemans)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Het derde voorbeeld (uit Vader & Zoon literair, 1987) gaat over ongeoorloofde generalisaties:

Meisje: Jij bent bang voor vrouwen, hè?

Zoon: Ik? Hoe kom je daar bij? Wie zegt dat?

Meisje: Elly. En Thea. En Yvonne. En Suzy en Paula. En Ingrid...

Zoon: Wat zegt dat nou? Ik ben alleen maar bang voor Elly, Thea, Yvonne, Suzy, Paula en Ingrid. Verder niemand.

Is de zoon nu bang voor vrouwen of niet? Zijn ontkenning is niet erg geloofwaardig. Om te beginnen geeft hij al toe dat hij voor de zes genoemde dames wél bang is. Daar komt nog bij dat de opsomming van het meisje in het derde plaatje niet de indruk geeft uitputtend te zijn: gezien de puntjes achter 'Ingrid' lijkt het rijtje nog wel met enkele vrouwen te kunnen worden uitgebreid. Hoeveel vrouwen zijn er volgens de zoon eigenlijk nodig om te mogen generaliseren?

De zoon beschuldigt het meisje impliciet van een incorrecte toepassing van het argumentatieschema van de kentekenrelatie: zijn angst voor Elly, Thea, Yvonne, Suzy, Paula en Ingrid is, zo vindt hij, niet noodzakelijk een teken dat hij in het algemeen angst voor vrouwen heeft. Hij geeft aan dat er wat hem betreft sprake is van een overhaaste generalisatie: Wat zegt dat nou?' Strikt genomen heeft hij daar gelijk in, want wat zijn nu zes - of tien of twintig - vrouwen op de miljoenen vrouwen tellende vrouwenpopulatie? Maar in feite verschuilt de zoon zich alleen maar achter deze drogreden. Het meisje bedoelt in het eerste plaatje natuurlijk niet dat de zoon voor alle individuele vrouwen in de wereld afzonderlijk bang is: die kent hij natuurlijk niet allemaal. Nee, ze heeft het over de vrouwen met wie de zoon in aanraking is gekomen. En als hij voor al die vrouwen inderdaad bang blijkt te zijn, dan is het niet te gewaagd om te veronderstellen dat hij een zekere angst voor vrouwen heeft.

Misschien ligt de zaak eigenlijk nog iets ingewikkelder. Uit de woorden van het meisje blijkt namelijk niet dat de zes dames haar hebben verteld dat de zoon bang voor hén was, maar alleen dat ze allemaal de indruk hadden dat hij bang voor vrouwen is. Dat lijkt echter muggenzifterij, want het oordeel van de vrouwen zal wel degelijk op hun eigen ervaringen met de zoon zijn gebaseerd. Hier ligt het gevaar van een overhaaste generalisatie voor de betreffende dames overigens wel op de loer: 'Hij is bang voor mij, dus hij is bang voor vrouwen'.

Laten we voor de aardigheid ook een strip bekijken (uit Het Parool van 20 februari 1984) waarin logische fouten aan de orde komen:

Zoon: Ene meneer Van Heerwaarden heeft gebeld, pa.

Vader: 0? Wat moest-ie? Was het belangrijk?

Zoon:   Dat zei hij niet. Hij zou volgend jaar nog eens bellen.

Vader: Dan is het verdomd belangrijk. Belangrijke dingen hebben hun tijd nodig.

De conclusie van de vader, 'Dan is het verdomd belangrijk', vormt het sluitstuk van een redenering die in logische zin ongeldig is. Er zit een rare kronkel in, dat voel je

110 I Het schoolvak argumentatie - Frans van Eemeren, Peter Houtlosser & Francisca Snoeck Henkemans