Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 15 | Vijftiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (2002)

Bijdrage: De beoordeling van schrijfvaardigheid in de tweede fase (Bert Meuffels)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

opteren voor een nieuw thema waarover pas documentatie wordt verstrekt op de zitting van het schoolexamen.

2 Klachten over gebrekkige beoordelaarsbetrouwbaarheid

Hoe kan de beoordeling van de schrijfvaardigheid aan de hand van schrijfdossier en gedocumenteerde tekst optimaal verlopen? Dat deze vraag aan de orde moet worden gesteld, vloeit voort uit het gegeven dat objectieve maatstaven voor het vaststellen van iemands schrijfvaardigheid ontbreken – of dat nu gebeurt aan de hand van een opstel of aan de hand van een gedocumenteerde tekst - zodat menselijke beoordelaars (experts; neerlandici dus) ingeschakeld moeten worden om te bepalen in welke mate iemand schrijfvaardig is.

Hét kernprobleem bij het gebruik van menselijke beoordelaars is dat deze ter zake geachte kundigen het in de praktijk vaak niet met elkaar eens blijken te zijn - een empirisch feit dat al in 1888 door Edgeworth werd vastgesteld, en nadien telkens weer werd bevestigd door tal van onderzoekers in verschillende landen. Maar het blijft niet bij dit gebrek aan intersubjectieve overeenstemming. De experts die als beoordelaar optreden, blijken het niet alleen vaak met andere experts niet eens te zijn, maar ook niet met zichzelf: bij herbeoordeling van dezelfde reeks opstellen blijken de oordelen vaak wat anders uit te vallen.

In Nederland werden beide effecten – gebrek aan intersubjectieve overeenstemming en gebrek aan stabiliteit, kortom gebrek aan beoordelaarsbetrouwbaarheid - onder anderen door Wesdorp (1983) aangetoond in een empirisch onderzoek waarin hij acht ervaren docenten vroeg een groot aantal opstellen van eindexamenkandidaten te beoordelen. Geen enkel opstel uit die grote verzameling werd door de docenten unaniem als voldoende of als onvoldoende beoordeeld: kwalificeerden zeven docenten een opstel als voldoende, dan vond de achtste de kwaliteit onvoldoende, en als zeven docenten de kwaliteit van het schrijfproduct onder de maat oordeelden, dan kon het er volgens de achtste wel degelijk mee door. De docenten moesten de opstellen na een tijdje opnieuw beoordelen: een verschil van drie punten tussen de eerste en tweede beoordeling bleek daarbij niet ongebruikelijk. Bij deze docenten die elk het predikaat `ervaren' verdienden, kon een eindexamenkandidaat voor zijn opstel bijvoorbeeld een 4 halen (bij de eerste beoordeling), maar evenzogoed een 7 (bij de tweede beoordeling).

Zulke 'alarmerende' resultaten blijven uiteraard niet beperkt tot onze landsgrenzen. In Duitsland bijvoorbeeld voerde Schröter in de jaren zestig van de vorige eeuw het meest grootscheepse onderzoek naar de betrouwbaarheid van opstelbeoordeling uit dat ik ken: liefst 1113 leraren beoordeelden, in groepen van wisselende samenstelling, gezamenlijk een selectie van 617 opstellen uit een totaalbestand van 6135. De resultaten van het onderzoek waarvan Schröter verslag deed in het geruchtmakend boek Die ungerechte Aufiatzzensur (1971), toonden volgens hem overduidelijk aan dat de manier waarop in Duitsland opstellen worden beoordeeld, alarmerend is: in 43 percent van de gevallen liep het oordeel over de kwaliteit van een opstel liefst vier punten uiteen; meer dan 10 percent van de opstellen kreeg een cijfer dat uiteenliep van 1 tot 5 of van 2 tot 6, en zelfs zes opstellen kregen een cijfer dat

130 I De beoordeling van schrijfvaardigheid in de Tweede Fase - Bert Meuffels