Doorzoek alle bundels


Bundel 15 | Vijftiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (2002)

Bijdrage: De beoordeling van schrijfvaardigheid in de tweede fase (Bert Meuffels)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

varieerde van 1 tot 6 (men bedenke dat de Duitse cijferschaal zes categorieën bevat, met de '1' als hoogste en de '6' als laagste cijfer). Bovendien werd in geen enkel geval door alle 18 leerkrachten die hetzelfde opstel moesten beoordelen, hetzelfde cijfer gegeven. Kortom, dit alles rechtvaardigde volgens Schröter de kernachtige titel van zijn monografie: opstelbeoordeling kan in redelijkheid niet anders dan onrechtvaardig genoemd worden.

Het beeld dat in deze studies van de betrouwbaarheid van de neerlandicus als opstelbeoordelaar wordt geschetst, stemt niet bepaald vrolijk. Bovendien wordt dit beeld waarin het testimonium paupertatis van de neerlandicus als opstelbeoordelaar besloten ligt, bij voortduring in kranten en vaktijdschriften (her)bevestigd, met name in de jaren vijftig en zestig. Zo concludeert Van den Ende in 1954, na analyse van empirisch materiaal, dat opstelcijfers van een 'bandeloze subjectiviteit' getuigen; zo'n tien jaar later claimt De Groot in Vijven en zessen (1968) dat in een cijfer eerder de beoordelaar zelf dan de te beoordelen prestatie van de leerling tot uitdrukking wordt gebracht en in 1986 verklaart een onderzoeker de beoordeling van opstellen tot een `volstrekt willekeurige zaak' en het opstel 'als examenonderdeel immoreel' (De Volkskrant, november 1986).

Ter relativering van dit negatieve beeld moet opgemerkt worden dat de klaagzangen over de onbetrouwbaarheid van de opstelbeoordelaar niet zelden overdreven zijn. Schröter kon alleen maar tot zijn schokkende conclusies komen doordat hij de opstellen die hij ter beoordeling aan de leerkrachten Duits voorlegde, bewust selectief en dus gecontamineerd samenstelde: met opzet liet hij juist die 617 opstellen uit het totale bestand van 6135 beoordelen die door studenten (die anders dan de leerkrachten vooraf, voor het eigenlijke onderzoek, wél alle 6135 opstellen hadden nagekeken) 'als besonders problematisch empfunden werden', kortom juist die opstellen waarbij zich tussen de studenten 'grosse Beurteilungsunterschiede' manifesteerden; de opstellen echter waarbij sprake was van `wenige gegenstzliche Meinungen', werden willens en wetens buiten de selectie gehouden. Moet men vervolgens verbaasd staan als de leerkrachten nogal forse verschillen vertonen in hun cijfergeving?

Opstelbeoordeling is niet zo apert onrechtvaardig als sommigen willen doen voorkomen, en evenmin is de beoordeling van opstellen door leraren Nederlands een volstrekt willekeurige zaak. Zelf liet ik eens een groep neerlandici, leraren wiskunde en managers dezelfde serie van 24 eindexamenopstellen beoordelen en herbeoordelen. De resultaten wezen duidelijk op de superioriteit van de leraren Nederlands: niet alleen bleken de neerlandici veel stabieler in hun oordeel (gemiddelde afwijking tussen de eerste en tweede beoordeling: .64) dan de leraren wiskunde (gemiddelde afwijking: .81) of de managers (gemiddelde afwijking: .86); ook stemden ze onderling meer met elkaar overeen.

Ook al leiden deze opmerkingen wellicht tot nuancering van het karikaturale beeld van de onbetrouwbaarheid van de opstelbeoordelaar, dat neemt niet weg dat het in het onderwijs vigerende 'ideaal van gelijke kansen' vereist dat we ernaar moeten streven verschillen tussen de beoordelingen van dezelfde leerkracht alsook verschillen tussen docenten onderling te minimaliseren. Mogen we nu verwachten dat de beoordeling van schrijfdossier en gedocumenteerde tekst betrouwbaarder zal verlopen dan

De beoordeling van schrijfvaardigheid in de Tweede Fase - Bert Meuffels 1131