Doorzoek alle bundels


Bundel 15 | Vijftiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (2002)

Bijdrage: Nederlands voor allochtone leerlingen in het voortgezet onderwijs (René Appel)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Communicatie in de klas is lastig

Vaak staat er bij opdrachten iets als: "Denk na over de volgende vragen. Je bespreekt ze daarna met de klas." Kennelijk moeten hiermee de communicatieve pretenties recht worden gedaan. De organisatie van die communicatie levert echter vaak problemen op. Wie praat met wie? Hoe wordt daarover gerapporteerd? Waar moet het toe leiden? Veel leerkrachten slaan dit soort opdrachten dan ook gewoon over: ze zijn te ingewikkeld, kosten te veel tijd en leveren te veel gedoe op. Dit wordt mede veroorzaakt door het feit dat de specifieke doelstellingen van zo'n communicatieve opdracht niet zijn gegeven. Wat moeten de leerlingen ervan leren? Met elkaar praten? Dat doen ze over het algemeen de hele dag al, juist vaak te veel in de ogen van leerkrachten.

Gericht op productie en niet op receptie

Het is opvallend dat de meeste opdrachten in taalmethodes – ook cognitief zeer complexe – productief van aard zijn, en niet op taalbegrip zijn gericht. In veel literatuur over tweede-taalverwerving wordt het belang van receptie benadrukt, maar hiervan is weinig terug te vinden in taalmethodes. Zo bevat een methode voor 3 vwo/havo enkele gedichten, waarna onder meer de onderstaande vragen volgen.

  1. Geef je mening over de gedichten met behulp van de beoordelingswoorden uit par. 2.4 van dit blok.

  2. Schrijf op wat de gedichten volgens jou duidelijk kunnen maken.

Met name de laatste vraag is erg moeilijk. Hoe kan je expliciteren wat een gedicht duidelijk kan maken? Dat is al een probleem voor volwaardige moedertaalsprekers van het Nederlands en helemaal voor veel NT2-sprekers. Een veel betere eerste stap zou zijn om een aantal alternatieven te geven en leerlingen daaruit te laten kiezen, zoals vaak bij receptieve oefeningen.

`Ouderwetse', niet functionele opdrachten

Soms lijken opdrachten ook een vorm van het eerder genoemde bezigheidstherapie. Volgens mij doet dit zich vaak voor als de leerstof onvoldoende duidelijk is, zoals in de volgende oefening.

In de volgende zinnen zijn de volgorderegels verkeerd toegepast. Zet de woorden telkens in de juiste volgorde. Vraagzinnen staan er niet bij. Aan de hoofdletter kun je zien met welk woord je moet beginnen.

  1. Eva huis liep opgewekt naar.

  2. Dat mis merkte het was direct ze.

  3. Moeder lezen krant de was aan het.

  4. Haar jurk saaie blauwe in had ze aan ieder geval.

  5. Eva niks ze wijsmaken konden.

  6. Er vervelend was hand iets aan de.

Het is belangrijk dat je woorden en woordgroepen, met hun betekenis en volgorde precies kent. Dat heb je nodig om goed te kunnen communiceren.

Nederlands voor allochtone leerlingen in het voortgezet onderwijs - René Appel 1143