Doorzoek alle bundels


Bundel 15 | Vijftiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (2002)

Bijdrage: Nederlands voor allochtone leerlingen in het voortgezet onderwijs (René Appel)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Wat worden leerlingen nu geacht te leren? Het lijkt me dat ze over het algemeen de volgorde in een zinnetje als 'Eva liep opgewekt naar huis' al perfect beheersen. Dus waarom krijgen ze hier de verkeerde volgorde voorgezet, die ze dan moeten corrigeren? Wat ze dan wel moeten leren, blijft onduidelijk. Opvallend is ook de 'motivatie' na de zinnetjes. Wat is dat, het 'kennen' van woorden en woordgroepen met hun betekenis? En dan ook nog 'precies kennen'?

Hoewel dit een zeer traditioneel aandoende oefening is, lijken de auteurs toch aan te willen haken bij wat meer recente trends. Zo worden taalvormen niet alleen los beschouwd, maar gaat het ook om inhoud en betekenis. Er wordt in zin A t/m F een `verhaaltje' verteld, maar dat wordt dan weer niet afgemaakt, omdat het er eigenlijk ook niet toe doet. Bovendien wordt gezegd dat leerlingen woorden en woordgroepen met hun betekenis moeten kennen. Ja, kan het anders? Kan je zeggen dat je een woord kent zonder de betekenis?

Als het gaat om grammatica of taalbeschouwing volgens veel methodes ook nog de oude en vertrouwde benadering van het ontleden. Leerlingen moeten (een aantal) zinsdelen en woordsoorten kunnen benoemen. De vraag waarom ze dat moeten leren, wordt vaak nauwelijks meer gesteld. In feite wordt daar binnen het vak Nederlands niets mee gedaan en voor de (verdere) verwerving van het Nederlands heeft het ook geen functie. Dat betekent dat alleen de dienstbaarheid aan het vreemde-talenonderwijs overblijft. Maar dan zou waarschijnlijk kunnen worden volstaan met een veel beperkter aantal termen die leerlingen moeten leren. Bovendien kunnen ze zich die ook veel beter eigen maken in het kader van het vreemde-talenonderwijs, tenminste wanneer dat daarin functioneel is. Nu blijft taalbeschouwing (ontleden en benoemen) een loze en losse vaardigheid, een 'kunstje' (waarvoor ze ook vaak ezelsbruggetjes leren), dat niets te maken heeft met taalvaardigheid in het Nederlands. Ondertussen zijn de grammaticalesjes in methodes wel min of meer geïntegreerd in andere taken, maar dat maakt ze niet zinvoller.

Woordenschat incidenteel

De keuze van woorden lijkt vaak aan het toeval onderhevig. Af en toe komt de betekenis van mogelijk onbekende woorden aan de orde, wanneer die woorden in een leestekst verschijnen. Dan staat er bijvoorbeeld het volgende.

Wat betekenen de volgende woorden?

  1. sage (r. 29)

  2. professionele uitrusting (r. 45)

  3. unieke (r. 47)

  4. experts (r. 50) etcetera

Het is uiteraard wel zinvol dat leerlingen moeten proberen om de betekenis van de woorden uit de tekst te halen. Bij woordenschatoefeningen gaat het overigens meestal om taalproductie, dus niet om het herkennen van de betekenis, maar om het zelf geven daarvan (zie ook hierboven over productie en receptie).

144 I Nederlands voor allochtone leerlingen in het voortgezet onderwijs - René Appel