Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 15 | Vijftiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (2002)

WERKVORMEN MET JEUGDLITERATUUR Ruud Kraaijeveld

1 Inleiding

Jeugdliteratuur heeft de afgelopen jaren een vaste plaats verworven in de basisvorming. De overheid heeft dat gestimuleerd door kerndoelen op het gebied van fictie te formuleren. In de eerste versie van de kerndoelen, geldig voor de periode 1993- 1998, was fictieonderwijs nog wat minder expliciet aanwezig, omdat het was weggestopt onder het kopje 'lezen' en samengenomen werd met de kerndoelen van leesvaardigheid van zakelijke teksten. In de herziening van de kerndoelen in 1998 werd fictie een apart domein.

Bij fictieonderwijs zijn drie zaken van groot belang: de keuze van de jeugdboeken, de lesstructuur of -opbouw en de werkvormen die je daarbij kiest.

2 Boekkeuze

Jeugdboeken zijn in drie categorieën verdelen: ontspannende lectuur van triviaal karakter, het kwalitatief verantwoorde jeugdboek voor grote groepen lezers en het literaire jeugdboek voor een select publiek. Bij de eerste groep, die ik om de gedachten te bepalen maar even de Kippenvel-groep noem, gaat het om de reeksen die Kluitman en Elzenga/Leopold uitgeven. Veel docenten kijken neer op dit type boek en de kwaliteit is ook niet om over naar huis te schrijven, maar ze kunnen met name leerlingen in het vmbo aan het lezen krijgen. Vanuit die leesbasis is verder te werken.

De tweede groep omvat een enorm brede verzameling van jeugdboeken. Laat ik deze groep maar even de Van Loon-Tijsinger-Van der Vlugt-groep noemen. Het gaat om boeken voor een breed publiek, kwalitatief min of meer aanvaardbaar en aantrekkelijk voor veel lezers. Docenten werken veel met teksten van deze auteurs.

De derde groep, zeg de groep Dros-Van Gestel-Stoffels, levert kwalitatief hoogstaande jeugdliteratuur af, maar die spreekt slechts een beperkte groep lezers aan. Docenten werken graag met deze boeken in de klas, maar voorzichtigheid is hier geboden. Het effect kan zijn dat een deel van de leerlingen het plezier in lezen kwijtraakt.

Bij de boekkeuze gaat het erom jeugdboeken te kiezen die, vooral in het begin van de basisvorming, aansluiten bij de leef- en belevingswereld van de leerling. Of boeken te kiezen die een escapistisch plezier geven, denk aan griezel- en detectiveboeken of de Harry Potter-reeks. Van belang is je als docent af te vragen: Kan een verhaal de leerlingen aanspreken, bijvoorbeeld omdat de inhoud boeiend is of omdat er veel in gebeurt of omdat er een interessant thema wordt aangesneden? Het is in het begin verstandig niet te snel met het literaire boek op de proppen te komen. Laat de leerlingen eerst maar eens de smaak van het lezen te pakken krijgen aan de hand van eenvoudig opgebouwde, in niet al te ingewikkelde taal geschreven, spannende en boeiende ver-

Werkvormen met jeugdliteratuur - Ruud Kraaijeveld 1 181