Doorzoek alle bundels


Bundel 15 | Vijftiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (2002)

Bijdrage: Werkvormen met jeugdliteratuur (Ruud Kraaijeveld)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

halen met veel herkenbare elementen, met verhalen van populaire jeugdboekenschrijvers voor een breed publiek.

Het literaire boek is maar voor een betrekkelijk klein deel van de schoolpopulatie in de onderbouw aantrekkelijk, namelijk voor de betere lezers in havo en vwo. Die mag en moet je na verloop van tijd wel in aanraking brengen met het werk van bijvoorbeeld Karlijn Stoffels, Ted van Lieshout, Imme Dros, Marita de Sterck of Anton Quintana, of met de vertaalde jeugdliteratuur van bijvoorbeeld Cynthia Voigt, Per Nilsson, Aidan Chambers.

Werkvormen spelen in het fictieonderwijs een belangrijke rol, maar het stuk fictie dat aan bod komt, is vaak bepalend voor het succes van een les. De tekstkeuze is begin-, eind- en middelpunt.

3 Lesstructuren

Globaal gezegd kun je met jeugdboeken op twee manieren werken in de klas: met (een of meer) fragmenten of met hele boeken. Verder kun je kiezen voor een geleide aanpak, waarbij alle leerlingen met hetzelfde fragment aan de slag moeten, of een geheel zelfstandige manier van werken, waarbij de keuzevrijheid van de leerling (heel) groot is.

Een les in jeugdliteratuur kent, net als elke goed opgebouwde les of lessenreeks, een drietal fasen: de oriëntatie- en voorbereidingsfase, de uitvoeringsfase en de afrondingsof terugkijkfase.

4 De uitvoeringsfase bij de geleide aanpak

Er zijn verschillende uitvoeringsvormen mogelijk:

  •  één fragment met vragen (1 les)

  •  twee of meer fragmenten met vragen (1-2 lessen)

  • één of meer fragmenten waaraan een omvangrijke verwerkingsopdracht is gekoppeld (2-4 lessen)

  • één of meer fragmenten waarover een leesdossieropdracht wordt gegeven die wat verder af staat van het fragment, verdere leesactiviteiten vraagt (andere hoofdstukken boek, hele boek, ander boek lezen) of in de sfeer van eigen onderzoek ligt (2-4 lessen plus leestijd thuis)

5 De aanpak bij zelfstandig werken en leren

Bij deze aanpak kiest de leerling in de oriëntatiefase geheel volgens eigen inzicht een jeugdboek, in de uitvoeringsfase voert hij eerst een kennismakingsopdracht bij het boek uit, daarna een vervolg- of verdiepingsopdracht en (naar keuze) een leesdossieropdracht.

Er is hierbij dus geen sprake meer van gezamenlijke activiteiten rond één of meer fragmenten, maar van volkomen individueel en zelfstandig werken en leren. Bij deze aanpak fungeert de docent(e) vooral als begeleider.

182 Werkvormen met jeugdliteratuur - Ruud Kraaijeveld