Doorzoek alle bundels


Bundel 15 | Vijftiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (2002)

Bijdrage: Werkvormen met jeugdliteratuur (Ruud Kraaijeveld)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

soorten te gebruiken. Dat maakt de taak afwisselend.

In de eerste plaats inhoudelijke, tekstgerichte vragen, over de gebeurtenissen in het verhaal, de verwikkelingen, de personages, de tijd en de plaats, zoals:

Waarom is Marieke over haar toeren?

  •  Waar komen Harry, Ron en Hermelien terecht? Wat is er zo gevaarlijk aan die plaats?

  •  Wat herkent Lotus als ze in het dorp aankomt? Hoe komt dat?

- Waar spelen de gebeurtenissen zich af? Zijn die van belang voor het verhaal of niet?

  • In welke tijd speelt het verhaal? Waar maak je dat uit op? Is die tijd belangrijk voor de gebeurtenissen?

In de tweede plaats wat abstractere tekstgerichte vragen, met een vleugje analyse erin, de mate waarin is sterk afhankelijk van de leerweg en het leerjaar, zoals: Wat kom je te weten van Mariekes karakter?

  •  Wat zijn de belangrijkste eigenschappen van de andere personages?

  • Sommige mensen vinden dit fragment spannend. Vind jij dat ook? Wat maakt het volgens jou spannend?

  • Iemand heeft over de personen in dit verhaal gezegd dat je kunt voorspellen wat ze gaan doen. Vind jij dat ook? Leg je antwoord uit.

  • Door wiens ogen zie je de gebeurtenissen? Wat heeft dat voor gevolg?

  • Sommige verhalen zijn geschreven om snel te lezen, andere moet je rustiger lezen. Hoe is dat met dit verhaal?

In sommige verhalen wordt precies verteld hoe de hoofdpersoon zich voelt, in andere verhalen moet je zelf het nodige aanvullen. Hoe is dat met dit verhaal? Lijkt dit verhaal op iets wat je al eens eerder hebt gelezen of totaal niet? Leg je antwoord uit.

  • Denk je dat dit echt gebeurd kan zijn of overdrijft de schrijfiter hier?

In de derde plaats tekstbelevende vragen, van allerlei soort en karakter, bijvoorbeeld:

Wat is je eerste indruk van dit fragment? Kies uit de volgende rij: spannend, saai, droevig, zielig, lachwekkend, voorstelbaar, verrassend, onbegrijpelijk, oppervlakkig, sfeervol, waarschijnlijk, enz. De aangeboden beoordelingswoorden zijn, afhankelijk van leerweg en leerjaar. De leerlingen moeten hun keuzes kunnen toelichten.

  •  Vind je het begrijpelijk dat Sander wegrent samen met de jongens die de rolstoel omver trappen?

Wat zou Sander nu nog kunnen doen om zijn probleem op te lossen? Hoe zou jij dit probleem aanpakken?

Femke voelt zich schuldig. Vind jij het logisch dat ze dat gevoel heeft? Zou jij dat in die situatie ook hebben?

Leg uit of je de beslissingen van Lori begrijpelijk vindt of niet.

Herken je in één van de personen iets van jezelf?

Herken je iets in de gebeurtenissen?

184 Werkvormen met jeugdliteratuur - Ruud Kraaijeveld