Doorzoek alle bundels


Bundel 15 | Vijftiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (2002)

Bijdrage: Werkvormen met jeugdliteratuur (Ruud Kraaijeveld)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Het werken met vragen bij twee of meer fragmenten is een aantrekkelijke optie omdat u de leerlingen dan iets kunt laten zien van de ontwikkeling van een hoofdpersoon, van een verhaallijn of van trucs die schrijvers uithalen om de lezer op het verkeerde been te zetten.

Mogelijke vragen zijn:

  • In het eerste fragment kreeg je de indruk dat de notaris joodse vluchtelingen hielp om aan de Duitsers te ontkomen. Wat heb je nu ontdekt?

  • In welke opzichten is het leven van Sandrine in het tweede fragment totaal veranderd?

  • Waarschijnlijk verwachtte je een heel ander vervolg. Wat vind je zo verrassend aan dit vervolg? Welke truc heeft de schrijver uitgehaald waardoor je op het verkeerde been bent gezet?

  • In het eerste fragment gebeurden er dingen die je moeilijk kon verklaren. Is dat is nu veranderd?

Het stellen van vragen bij één of meer fragmenten kunt u afwisselen met een andere verwerkingsvorm: reageren op stellingen. U kunt dan bijvoorbeeld een rijtje stellingen geven waarop de leerlingen moet reageren met eens' of `oneens'. Ze maken eerst een individuele keuze en bediscussiëren die later in tweetallen of groepjes.

8 Omvangrijke verwerkingsopdrachten

Behalve vragen en opdrachten of stellingen kunt u ook werken met verwerkingsopdrachten die in de sfeer van schrijfvaardigheid liggen. Zij sluiten heel nauw aan bij de gebeurtenissen in het fragment. U kunt daarbij aan de volgende soorten opdrachten denken:

  • Stel je voor dat Sandrine een dagboek bijhoudt. Kies twee dagen uit waarop ze in haar dagboek heeft geschreven. Schrijf die twee dagboekbladzijden.

Over deze gebeurtenissen staan berichten in de krant. Schrijfzo'n bericht.

Stel je voor dat Harry een penvriend heeft. Hij schrijft- die avond aan hem een brief. Wat staat erin? Schrijf die brief.

  • Rosa heeft die eerste dag veel meegemaakt. 's Avonds verstuurt ze twee e-mails over wat ze heeft beleefd. De ene e-mail is bestemd voor haar vriendin. De andere e-mail voor haar tante. Schrijf die e-mails.

  • Maak bij het fragment een abc-tekst: de a is van angst die..., de b is van brief die..., de c is van crisis, waarin... enz.

  • Het verhaal is nog niet af. Schrijf een vervolg van 200 woorden.

Stel je voor dat je je hebt opgewonden over wat Mark doet. Je had je er eigenlijk wel mee willen bemoeien. Schrijf een deel van het verhaal opnieuw en wel zo dat er een nieuw personage in voorkomt die jouw gedachten en gevoelens heeft.

Behalve in de schrijfvaardigheidssfeer zijn er ook opdrachten mogelijk die meer in de doe-sfeer liggen. Zij zijn vooral voor vmbo-leerlingen aantrekkelijk. Bijvoorbeeld:

  • Hoe zien de belangrijkste personen er uit? Teken hun portret.

  • Maak een tekening van de belangrijkste gebeurtenis.

Werkvormen met jeugdliteratuur - Ruud Kraaijeveld 1185