Doorzoek alle bundels


Bundel 15 | Vijftiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (2002)

Bijdrage: Van ideaal tot illusie? (Wam de Moor)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

eenmalig, bijvoorbeeld in klas 4.

Dat pleidooi lijkt gewonnen, maar het kan alsnog verloren worden, wanneer men dit idee te pas en te onpas gebruikt en leerlingen in elke nieuwe klas zo'n leesautobiografie moeten schrijven. Eén keer is de bedoeling en mogelijk tegen de tijd van het eindexamen een eventuele herschrijving van die leesautobiografie, als alternatief voor een andere nieuwigheid: het balansverslag. Daarin kijkt een leerling halverwege het jaar of aan het eind van het jaar terug op wat hij terzake de literatuur heeft gelezen en geleerd. Voor het eindexamen wordt dan het leesdossier afgesloten met een eindverslag - of, zoals ik hier suggereer, een nieuwe versie van de leesautobiografie. Tijdens het tentamen is dan het leesdossier en niet de literatuurlijst uitgangspunt van het gesprek. Voorwaarde voor het welslagen daarvan is dat de docent dat leesdossier in zijn ontstaan gevolgd heeft en zich eigen heeft gemaakt. Voorwaarde is ook dat zo'n leesdossier kan samenvallen met wat men nu een schrijfdossier is gaan noemen.

4 Nog steeds in ontwikkeling

Gezegd moet worden dat het leesdossier qua methode nog steeds in ontwikkeling is. Vanaf 1983 hebben we tijdens tweejaarlijkse conferenties kernproblemen als tekstervaring versus tekstbestudering, historische teksten in de klas, de toetsing van het literatuuronderwijs, de europeanisering en literaire competentie aan de orde gesteld. De ervaren docent Joop Dirksen vertaalde, in 1995 de opvattingen van Norman Holland naar de situatie van zijn leerlingen en wel zodanig dat voor hen de literatuur is gaan leven. Daarbij legde hij het accent vooral op nieuwe werkvormen, die recht-doen aan het individuele karakter van lezen, en hij werkte zijn resultaten verder uit in zijn schoolboek Dossier Lezen. De mediaevist Hubert Slings gaf in 2000 aan bestudering van en ervaring met oudere teksten zijn aandeel in zijn proefschrift over Middelnederlandse literatuur in het voortgezet onderwijs . Vakdidacticus Theo Witte achtte ten tijde van de voorbereiding der tweede fase de tijd rijp om het leesdossier als instrument op te nemen in het literatuurprogramma voor de bovenbouw. En zo heeft de Vakontwikkelgroep Nederlands - en niet zij alleen, ook de vakontwikkelgroepen voor de vreemde talen en het nieuwe vak CKV1 toonden belangstelling - het leesdossier in haar opzet een rol van betekenis gegeven.

Het leesdossier is de vinger aan de pols, voor leerling en leraar. Het voorkomt dat alles neerkomt op dat éne beslissende tentamen en de raadpleging van de uittrekselboeken. Zodra dat leesdossier een eigen leven ging leiden, docenten zich niet hielden aan de bedoeling, maar bijvoorbeeld ook allerlei feitjes en van internet te plukken informatie in dat leesdossier lieten stoppen, begonnen de problemen. In plaats van een vrij opstel, werd de leesautobiografie op sommige scholen een rijtje vragen, antwoord in een vakje in te vullen, taalgebruik doet er niet toe, wel makkelijk door de leraar 'na te kijken', 'door te strepen', 'af te vinken'. Dat was de bedoeling niet.

Van ideaal tot illusie? - Wam de Moor 1287