Doorzoek alle bundels


Bundel 15 | Vijftiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (2002)

LIEFDE VOOR DE POËZIE Marjoleine de Vos

Eens in de zoveel tijd kom je altijd wel iemand tegen die zegt: „Ik lees nooit Nederlandse literatuur. De Nederlandse literatuur interesseert me niet, ik lees alleen maar Engels." Eens in de zoveel tijd is er altijd wel iemand die hardop roept dat we aan het Nederlands niets missen, of dat de Nederlandse cultuur niet bestaat. Toen Paul Scheffer schreef dat het, juist nu er zoveel mensen uit andere culturen bij ons zijn komen wonen, van belang is om trots te zijn op onze eigen cultuur, om die hoog te houden, om te weten wie we zelf zijn, want met wie of wat moet er anders geïntegreerd worden, toen waren er natuurlijk ook weer voldoende mensen die zeiden: welke Nederlandse cultuur? Alsof wij die niet hebben. Alsof er niets de moeite van het bewaren waard is. Alsof het er niet toe doet, dat wij de bijzonderheid van sommige dichtregels begrijpen zoals niemand, behalve een volmaakt tweetalige, dat ooit in een andere taal zou kunnen.

Neem nu een strofe als de volgende, van Judith Herzberg, over het plaatje op de Zwaardemakers rozebotteljam:

Overrompeld, plotseling, door een rozebottelplaatje
op de Zwaardemaker, of nog meer het zonbeschenen blaadje
dat ook op het etiketje staat. Afstanden, met geen
bijl te kraken, zelfs niet 's zomers, als de botanische
heus in die hartverscheurende belichting staat.

Gewoner kan het al niet. Dit is niet het soort gedicht waar mensen aan denken als ze met getuite lippen het woord 'poëzie' uitspreken, hier geen `drop'lend lover' of een lent van vaerzen', er zingt geen onsterfelijke nachtegaal en 'mijn lief' komt er ook niet in voor. Een jampot, een etiket, een waarneming.

Maar intussen heeft dit gedicht wel, ongemerkt, die combinatie van woorden aan ons voorgehouden die we misschien niet zo gemakkelijk zullen vergeten, een paar woorden die op allerlei momenten ineens het beste uitdrukken wat we zien: iets dat 'in hartverscheurende belichting' staat. Los van de rest van het gedicht, waarin het begrip `weewoed' uit de doeken wordt gedaan wat ook de moeite waard is.

Het lijkt misschien eigenaardig, ja zelfs onnozel, om, als het moet gaan over het belang van het vak Nederlands op school, met poëzie op de proppen te komen. Weet ik dan niet dat niemand dat leest. Weet ik dan niet dat dichters heel tevreden mogen zijn als er vijfhonderd bundels van ze verkocht worden. Weet ik dan niet dat in deze tijd álles er ongeveer meer toe doet dan poëzie?

Liefde voor de poëzie - Marjoleine de Vos 1 301