Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 15 | Vijftiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (2002)

Bijdrage: Liefde voor poëzie (Marjoleine de Vos)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Het is waar, dat weet eigenlijk iedereen die wel eens een gedicht leest. De taal wordt nergens zo tot in de puntjes beproefd op haar mogelijkheden, zo verrassend gecombineerd, zo veelzeggend en betekenisvol en klankrijk gemaakt als in poëzie.

De Engelse dichter T.S. Eliot heeft wel eens geschreven dat de cultuur van een heel land er zorgwekkend op achteruit zou gaan als er in een land geen poëzie meer geschreven zou worden. Hij schreef: „Poëzie herinnert ons voortdurend aan al die dingen die slechts in één taal kunnen worden uitgesproken en die onvertaalbaar zijn." Dichters drukken onder meer persoonlijke gevoelens en emoties uit in een persoonlijk gebruik van de taal van hun land, zodanig dat wat ze schrijven ook voor sommige anderen, dat wil zeggen voor diegenen die bereid zijn hun best ervoor te doen, te begrijpen en na te voelen is.

Door zijn gedichten bezorgt de dichter zijn taalgenoten gevoelens of sensaties die ze eerder nog niet hadden of die ze wel al hadden, maar zonder ze uit te kunnen drukken. Dankzij de dichter bestaan er nu woorden voor datgene wat er gevoeld wordt. Eliot schreef „De veranderingen en ontwikkelingen van een bepaalde sensibiliteit, die eerst beperkt blijven tot een kleine groep, dringen dan langzamerhand vanzelf in de taal door, dankzij hun invloed op andere schrijvers die veel vlugger populair worden." En via die schrijvers wordt die sensibiliteit, verdund misschien, tot gemeengoed. Zo beïnvloedt de dichter niet alleen de taal van zijn land, maar ook de gedachten en gevoelens in zijn land en schept hij bovendien de mogelijkheid om die gedachten en gevoelens uit te drukken, zelfs ook voor diegenen die zijn gedichten nooit gelezen hebben.

We moeten ons daarvan misschien ook weer niet ál te veel van voorstellen, maar toch. Een goed voorbeeld van wat Eliot bedoelt, is die regel van Lucebert die door een verzekeringsmaatschappij gebruikt werd: 'Alles van waarde is weerloos'. Je hoort het iedereen zeggen, het is een besef dat dankzij die dichtregel tot iets heel gewoons is geworden. Zo zijn er meer dichters die een verfijning of verbijzondering van ons gevoel teweeg hebben gebracht, of van ons uitdrukkingsvermogen, wat daar zoals gezegd niet altijd makkelijk van te onderscheiden is. Wie is nooit eens 'domweg gelukkig in de Dapperstraat' zelfs al is hij in het geheel niet in de Dapperstraat, daar zelfs nog nooit geweest? Menigeen denkt aan Holland en ziet 'brede rivieren, traag door oneindig laagland gaan', ook al ziet hij geen rivieren voor zich. Maar dat gedicht drukt wel iets uit over 'Holland' dat menigeen na aan het hart ligt. Wat het uitdrukt is misschien alleen maar zichzelf, het zijn de bewoordingen waaraan men zich optrekt en hecht. 'Een nieuwe lente en een nieuw geluid' is bijna tot een cliché geworden en mensen die nooit een dichtbundel open doen voelen zich soms toch 'een God in het diepst van hun gedachten' of blijken geboren te zijn 'uit zonnegloren en een zucht van de ziedende zee' (of 'in Apeldoorn en me zuster in Zierikzee'). Zien we de zee dan klotst zij voort in eindeloze deining en dat schoonheid in onze tijd haar gezicht heeft verbrand hoef je bijna niemand meer te vertellen. Ook buiten de kring van poëzielezers om is er veel poëzie te vinden, dat wil zeggen, van hun gedichten afgedwaalde

Liefde voor de poëzie - Marjoleine de Vos 1 303