taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Zestiende conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 16 | Zestiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (2003)


Bijdrage: Schrijfonderwijs in de praktijk (H.M.B. Franssen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

leerlingen over de geschreven teksten. Vaak verloopt dit volgens een vast patroon: enkele kinderen lezen de tekst voor en de leraar reageert met een korte positieve opmerking. Slechts in 8 lessen wordt in de bespreking een duidelijke relatie gelegd tussen de schrijfopdracht en de tekst. Specifieke aandachtspunten uit de opdracht worden besproken. Reflectie op het schrijfproces (item 15) vindt nauwelijks plaats, dit ondanks het feit dat dit in veel lesbeschrijvingen wordt aangegeven Uit de observatie van de lessen blijkt dat de leerlingen na afloop geen gelegenheid krijgen om te verwoorden hoe ze de schrijfopdracht hebben aangepakt, welke problemen ze zijn tegen gekomen en hoe ze die hebben aangepakt. Schrijfaanpakken van leerlingen blijven impliciet en worden dus ook niet onderling vergeleken.

Op basis van het bespreken van teksten zou de leraar de eerste versie van teksten moeten laten herschrijven en verzorgen. In de meeste lessen gebeurt dit echter niet. Het is wel zo dat de leraren gewoonlijk tijdens het schrijven aanwijzingen geven over het verbeteren van schrijffouten. Maar er wordt nauwelijks tijd ingeruimd voor de revisie van de teksten (item 16). In een beperkt aantal lessen was dit wel het geval, maar dan had deze revisie uitsluitend betrekking op verzorgingskwesties (item 17). De methode geeft voor het herschrijven en verzorgen van teksten nauwelijks gerichte aanwijzingen.

De gemiddelden op de items 18 tot en met 20 laten zien in hoeverre de geobserveerde lessen een interactiefkarakter hebben. Uit het gemiddelde van 4.13 blijkt dat de leraren er goed in slagen om de leerlingen actief bij de les te betrekken en om hun actieve inbreng bevorderen. De leraren stellen open vragen en denkvragen en geven veel leerlingen een beurt.

De overige twee aspecten van interactief leren blijven sterk onderbelicht. De interactie tussen leerlingen onderling wordt nauwelijks bevorderd (item 19). De leerlingen krijgenweinig gelegenheid om schrijfaanpakken onderling te bespreken, om ideeën uit te wisselen, om teksten met elkaar te vergelijken.

Er wordt in de praktijk weinig gelegenheid geboden om samen te werken (item 20). Schrijfopdrachten voorbereiden en uitvoeren is meestal een individuele aangelegenheid. De meeste leraren stimuleren ook niet dat kinderen elkaar helpen. Integendeel, tijdens bijna tweederde van de lessen verwachtte de leraar stilte: overleggen en praten mocht niet. In een beperkt aantal lessen werd dit wel toegestaan en was er enigszins sprake van het bewust stimuleren van samenwerking tussen kinderen. De verschillen tussen de leraren zijn bij de laatste twee items zeer groot (standaarddeviatie van 1.27 en 1.63).

Uit de resultaten van de lesobservaties blijkt dat de leraren verschillende kenmerken van de procesgerichte didactiek in praktijk brengen. Zij besteden veel aandacht aan het onderwerp van de schrijfopdracht en aan de tekstsoort. De instructie richt

Schrijfonderwijs in de praktijk 1 29

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties