taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Zestiende conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 16 | Zestiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (2003)


Bijdrage: Van basisonderwijs naar secundair onderwijs met taalbeschouwing: een kwestie van kennen, kunnen en willen... (Mark Van Bavel)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

op letten dat de zinnetjes iets betekenen en dat ze 'af zijn in de boodschap die een spreker of schrijver wil meedelen, bijvoorbeeld:

(1) Jan schrijft. (2) Bart Moeyaert schrijft. Dit zijn twee goede 'affe' zinnen, als de zender wil meedelen: (1) dat Jan aan het schrijven is, of dat (2) Bart Moeyaert een schrijver is. De leerlingen weten echter ook dat Jan meestal wel iets schrijft bv. een briefje om te melden dat het op het sportkamp prima gaat; en dat Bart Moeyaert geregeld een nieuw boek schrijft. Dat wordt dan:

(3) Jan schrijft een brief. (4) Bart Moeyaert schrijft een nieuw boek. (5) En dat Jan die brief aan zijn ouders schrijft en dat (6) Bart Moeyaert boeken schrijft voor de jeugd.

M.a.w. ze leren dat 'schrijven' in (3), (4), in deze context / in deze mededeling één voorwerp heeft. En in (5) en (6) twee voorwerpen. Zo komen ze tot het inzicht dat een zin naast een onderwerp en een persoonsvorm ook (in dit geval) één of twee voorwerpen kan / moet hebben, afhankelijk van de boodschap van de zin. Ze leren dus over zinnen nadenken vanuit betekenis en functie; ze leren redeneren vanuit de zinsopbouwdidactiek en vanuit de 'valentie van het werkwoord in het gezegde'. (zie 2.5 en 2.6). Deze zinsopbouwdidactiek wordt door heel wat leraren SO gebruikt omdat ze niet onmiddellijk met de te cognitieve aanpak van zinsontleding willen beginnen in het secundair: "Nederlands mag voor leerlingen ook (!) in het SO best leuk beginnen."

Ook het rollenspel kan leerlingen helpen over zinnen na te denken: door uitbeelding nadenken over zinnen in context, cf. schema M. Stevens (zie 2.5) en valentie (zie 2.6).

Leerlingen van het BaO leren over zinnen nadenken vanuit de tweedeling: onderwerp - gezegde; het gezegde is dan `watje over het onderwerp zegt: dat kan gaan over wat het onderwerp is, wordt of blijft; maar je kan ook zeggen wat het onderwerp doet. In het eerste geval spreken we dan van het naamwoordelijk gezegde (NWG); in het tweede van het werkwoordelijk gezegde (WWG). Schematisch ziet dat er zo uit:

Zin

- naamwoordelijk gezegde (NWG) Onderwerp   Gezegde   - werkwoordelijk gezegde (WWG)

In de aanvangsfase van de ontleding valt dus onder 'gezegde' al wat niet tot het onderwerp behoort. Dus ook alle voorwerpen en mogelijke bepalingen. Als eerste stap in de ontleding, krijgt het 'gezegde' dan een ruime vulling: 'alles wat over het onderwerp gezegd wordt'. Pas later leren leerlingen de voorwerpen en de bepalingen herkennen (begrip) en nog later: de voorwerpen benoemen (term).

52 1 Van basisonderwijs naar secundair onderwijs met taalbeschouwing

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties