taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Achttiende conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 18 | Achttiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (2005)


Bijdrage: Een 'wieweetwatwaarboek' en een 'bosatlas van de kinderliteratuur'. Werken met (non-)fictie in de basisschool (Annie Buellens)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Vanaf het 4e leerjaar (groep 6) wordt er meer systematisch te werk gegaan.

De kinderen leren verschillende bronnen gebruiken en teksten kritisch te lezen. Ze leren omgaan met plattegronden, gidsen, folders, tijdschriften en kranten. Ze maken kennis met het plaatsingssysteem en de catalogus in de bib.

De kinderen worden vertrouwd gemaakt met de structuur van een informatief boek. Ze leren de inhoudsopgave, het register, de verklarende woordenlijst hanteren. Ze ervaren dat een informatief boek op een andere manier gelezen wordt dan fictie : meer grasduinend en soms studerend lezen.

Anders dan bij fictie worden de kinderen bij non-fictie niet aangespoord om het boek van A tot Z te lezen. Een informatief boek dient vaak om in te grasduinen en dat horen vooral minder gretige lezers graag.

Om al de gevonden informatie te verzamelen kan een leesfiche (zie bijlage 1) helpen. Ze is ook een ondersteuning om over non-fictie te praten.De leesfiche klimt op in moeilijkheidsgraad van het vierde tot het zesde leerjaar.

Vanaf het 5e leerjaar (groep 7) wordt met een bonte verzameling van teksten gewerkt: informatief en verhalend over onderwerpen als televisie, radio, kranten, tijdschriften, computer, telefoon en satellieten, voeding, mensenrechten, milieu...

Ze leren verhalen onderscheiden van informatieve teksten en meningsteksten van feiten.

De kinderen leren ook omgaan met het Siso- of Zizo-systeem in de bibliotheek en ze maken kennis met voor hen interessante websites.

Hun leesfiche is ook gegroeid.

In het zesde leerjaar (groep 8) gaat het werken met allerhande boeken en teksten door maar er wordt nog meer eigen inbreng van de kinderen verwacht. Een middel daartoe is 'Vrije tekstkeuze'(zie bijlage 3). Hierbij is het de bedoeling dat elk kind gedurende het schooljaar een tekst naar voor brengt waardoor hij/zij bijzonder geboeid was. Hij leest en bespreekt die met de klasgenoten zoals in bijlage 3.

In het zesde leerjaar houden ze zelf een register bij, achteraan in hun leesdagboek, over al de boeken die ze gelezen hebben en over de teksten uit 'Vrije Tekstkeuze' ze drukken hun appreciatie uit in de vorm van : +++ tot – – – .

Inspelen op de actualiteit maakt lezen en leren functioneel. Zo was de dood van een uitgewezen azielzoekster enkele jaren geleden aanleiding tot deze activiteit : We begonnen met krantenartikels, daarna volgde de bijbeltekst De werken van barmhartigheid. Vervolgens hielden we een klasgesprek en daarna gingen we geruchten als `er zijn te veel vreemdelingen' te lijf met cijfers. We werkten met grafieken uit de krant, we berekenden percenten en vergeleken verschillende landen. We besloten met een lied van Robert Long : ` We willen ze niet...'

Op hun leesfiche duiden de kinderen van het 6e leerjaar ook aan hoe ze het boek gevonden hebben, om welk soort boek het gaat en of ze nog andere interessante boeken gevonden hebben.

In alle klassen houden de kinderen een leesdagboek bij. Daarin noteren ze wat ze gelezen hebben fictie én non-fictie. Het schrijven over een boek wordt echter zo kort

Werken met (non-)fictie in de basisschool - Annie Buellens 115

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties