2.2 Praktijkverhaal 2: Het doelen-verhaal
Het tweede praktijkverhaal, nl. het doelen-verhaal, sluit aan bij het tweede onderdeel van de hierboven vermelde Kijkwijzer 'Gelijke onderwijskansen', namelijk 'de leraar als begeleider van de taalvaardigheidsontwikkeling van kinderen/leerlingen'. Het draait immers rond TVO-competentie 6: 'taal de hele dag'.
In het kleuteronderwijs wordt dag in dag uit aan taalontwikkeling gewerkt: tijdens het onthaal, de bewegingsles, bij het aanbrengen van een liedje, als er een verhaal wordt verteld, maar ook bij het plassen en de jassen, enz. Men heeft het daarom over 'taal de hele dag', en men vermijdt bijgevolg al te veel aandacht voor geïsoleerde 'taallesjes' of `taalactiviteiten'. Kinderen zijn een hele dag lang met mens- en wereldverkenning en dus ook met taalontwikkeling bezig.
Studenten en collega's-lectoren 'kennen' dat principe wel, maar omdat mondelinge taal zo een moeilijk grijpbaar iets is, wordt er in voorbereidingen en ook tijdens realisaties zelden of nooit uitdrukkelijk en bewust rond gewerkt. Tot spijt van de vaklector 'taal', die de eigen investeringen in achtergronden en inzichten amper of niet vertaald ziet in de praktijk.
Om dat euvel snel en zonder veel werkgroepenoverleg te verhelpen beslist de lector `taal' om bijkomende afspraken te maken rond het formuleren van doelstellingen op het voorbereidingsformulier. Ondanks het feit dat studenten zich enkel moeten toeleggen op de centrale ontwikkelingsdoelen van een activiteit, vraagt de taallector om op elke activiteit met interactiekansen 'kleuteronderwijzer - kleuter(s)' 6 de mondelinge taalvaardigheidsdoelen te formuleren die in de activiteit het meest uitgesproken aan bod komen: luisteren (en begrijpen), spreken/verwoorden en/of in gesprek gaan/gesprekken voeren, aangevuld met concretiseringen (b.v. begrijpen van instructies m.b.t. motorisch handelen, ondersteund door enkele eenvoudige picto's). Voor de studenten, die net een hele reeks (werk)colleges over taalvaardigheidsonderwijs bij jonge kinderen achter de rug hebben, komt deze afspraak totaal niet onverwacht. Integendeel.
Een automatisch gevolg van het formuleren van een doelstelling op het voorblad van een voorbereiding is dat de lezer (lector, mentor) in de voorbereiding moet kunnen terugvinden hoe de stagiair-kleuteronderwijzer aan die doelstelling wil werken. Op die manier worden de studenten uitgenodigd, zelfs verplicht, om tijdens het voorbereiden ook de taalvaardigheidsbril op te zetten: hoe werk ik tijdens deze activiteit aan het leren begrijpen van de instructie, hoe help ik kinderen te leren verwoorden wat zij weten over, voelen bij, vinden van..., hoe leer ik hen om een gesprek te voeren.
De lectoren bij wie de voorbereidingen ter controle terechtkomen, merken stilaan die aandacht voor taalvaardigheidsonderwijs op: in de wandelgangen worden er vragen gesteld over het wat en waarom van de nieuwe afspraak; er wordt naar achtergrondinformatie gevraagd (artikel? cursustekst?); er wordt gepolst naar hoe taalvaardigheidsonderwijs in een voorbereiding verwerkt kan worden, hoe het in de praktijk begeleid/beoordeeld zou moeten worden, enz. De wandelganggesprekken monden
Taalbeleid in de lerarenopleiding - Koen Van Gorp en Lieve Verheyden 1 179