domein mondelinge taalvaardigheid is ten behoeve van deze analyse onderverdeeld in spreken en luisteren. Daarnaast is 'woordenschat' als domein opgenomen. Dit is niet alleen gedaan omdat veel taalmethoden voor woordenschat een aparte leerlijn hebben, maar ook omdat er juist bij de zaakvakken veel woorden en begrippen aan de orde zijn. De checklist bestaat derhalve uit zes domeinen: spreken, luisteren, schrijfvaardigheid, leesvaardigheid, taalbeschouwing en woordenschat.
Elk domein is verder onderverdeeld in aspecten als taaltaken, taalgebruikssitutaties, regels, strategieën en communicatieve context. Per domein zijn deze aspecten verder ingevuld. Hierbij is er gekeken naar voorbeelden van taalactiviteiten en taalaspecten die in veel gebruikte taal- en/of leesmethoden voorkomen. (Peilingsdatum hiervoor is september 2001).
Bij het analyseren van de zaakvakmethodes zijn twee methoden voor aardrijkskunde, twee methoden voor geschiedenis, twee methoden voor biologie en een methode voor wereldoriëntatie bekeken op het voorkomen van expliciet beschreven talige activiteiten. Als zoekruimte is bepaald alle materiaal voor leerkrachten en voor leerlingen van groep 5 en groep 8. Zie ook bijlage 1.
3 Resulaten van de analyses
Hieronder worden de resultaten van de analyse per onderscheiden domein op hoofdlijnen weergegeven. Zoals vooraf reeds verwacht werd, komt het domein taalbeschouwing niet of nauwelijks voor in de methodes voor OMW. Het domein taalbeschouwing wordt dan ook buiten deze bespreking gelaten.
3.1 Domein spreken
In alle methoden wordt in groep 5 en groep 8 de taalactiviteit 'vragen beantwoorden' gescoord. In sommige methoden voor natuuronderwijs en geschiedenis komt de taaltaak 'ervaringen vertellen' en 'mening geven' voor. In de materialen van groep 8 komt een enkele keer het taalaspect 'discussiëren' voor. In het algemeen is de gespreksvorm `polylogisch' en 'klassikaal onder leiding van de leerkracht'. De methoden besteden geen aandacht aan gespreksstrategieën en geven de leerkracht ook geen aanwijzingen voor het voeren van interactieve gesprekken.
Het beantwoorden van vragen van de leerkracht lijkt daarmee de belangrijkste gespreksactiviteit die kinderen tijdens de zaakvaklessen uitvoeren. Daarbij komt dat op basis van de soort vragen en de aanwijzingen die de leerkracht vanuit de methoden krijgt voor het voeren van gesprekken, dit beantwoorden van vragen al gauw leidt tot traditionele klassengesprekken. Kenmerkend voor dergelijke gesprekken is het ontstaan van een `zonpatroon' (Brouwer, 1998) waarbij de leerkracht de spil is waarom alles draait en een centrale rol speelt. Een dergelijk interactiepatroon leidt vaak tot geringe betrokkenheid bij de leerlingen. Dit in tegenstelling tot het 'Kaatspatroon'' (Brouwer, 1998) waarbij de leerkracht veel meer een spelverdeler is die antwoorden van kinderen doorkaatst naar andere kinderen waardoor veel meer kinderen in het gesprek betrokken worden. Zie ook bijlage 2: het zonpatroon en het kaatspatroon.
Horizontaal en verticaal: een interactieve taalzaakvakles heeft het allemaal - Tjalling Brouwer 13