ties is voor veel jongeren een probleem, en dat begint bij het herkennen van gevoelens. De systematische vraag 'wat roept deze passage, deze tekst bij je op?' kan de aanzet zijn tot verbetering op dit terrein, tenminste als de docent de moeite neemt om dóór te vragen, en geen genoegen neemt met vaagheid. Als oefening kan aan het begin van het literatuuronderwijstraject een reeks korte passages met een sterke emotionele lading worden voorgelegd aan leerlingen. Aan de hand daarvan kan getoond worden dat gevoelens, opgeroepen door een literaire tekst, natuurlijk 'verdund' zijn, d.w.z. minder hevig dan ze zouden zijn als je de situatie in werkelijkheid beleefde, maar tegelijkertijd ook heel 'zuiver': bij een literaire tekst mag je ongeremd bijvoorbeeld boosheid voelen of jaloezie of leedvermaak.
Leerlingen moeten leren dat elke tekst emoties oproept en dat ze in hun leesverslag daar dan ook aandacht aan moeten besteden.
En reflectie over de eigen leesverslagen zal dan kunnen leiden tot (iets) meer zelfkennis, een (iets) groter emotioneel zelfbewustzijn.
4 Empathie
Een ander aspect is het ontwikkelen van empathie, van inlevingsvermogen. Elk menselijk gedrag is voor de betrokkene vanuit zijn of haar situatie logisch. 'Raar' is gedrag alleen in de ogen van anderen, die in zo'n situatie niet zó zouden handelen. Als dus systematisch bij het bespreken van korte verhalen in de klas of bij het geven van een verdiepingsopdracht of bij de bespreking van een leesverslag (ook) aandacht wordt besteed aan het zich verplaatsen in de verhaalfiguren, zal dat zeker positief werken op het inlevingsvermogen van de leerling. Veel leerlingen melden in hun verslagen dat ze zich goed kunnen identificeren met de verhaalfiguren, maar kijken vervolgens met verbazing en/of onbegrip naar concrete gedragingen van die figuren. Dat betekent dat ze nog niet (helemaal) in staat zijn geweest om echt in de schoenen van zo'n verhaalfiguur te gaan staan.
Enkele concrete voorbeelden aan de hand van veel gelezen boeken:
Wat bezielt Daniël in het boek 'Robinson' van Doeschka Meijsing: in hoeverre is zijn gedrag vanuit zijn situatie normaal? Voor iedere leerling die niet serieus probeert zich in de jongen te verplaatsen, is diens gedrag 'raar'; hij praat over duivels, hij zoekt conflicten op. Maar een simpele optelsom van de achtergrondgegevens die over Daniël naar voren komen, maakt zijn gedrag volkomen begrijpelijk. Een verdiepingsopdracht bij dit boek zou dus kunnen zijn om door je te verplaatsen in Daniël duidelijk te maken hoe 'logisch' zijn gedrag voor hemzelf is.
Hoe zal het voor Bo, uit 'De passievrucht', van Karel Glastra van Loon, zijn om te moeten verwerken dat zijn vader zijn vader niet is. Een opdracht zou kunnen zijn: stel je voor dat je ouders je straks als je thuiskomt, bij hen roepen en je een soortgelijke mededeling doen; wat zou er op zo'n moment dan allemaal door je heen gaan, hoe zou je reageren? Hoe kijk je nu tegen Bo's reactie aan?
Hoe zal Max, in 'Phileine zegt sorry' van Ronald Giphart, de komst van Phileine naar zijn voorstelling ervaren?
Hoe kijkt hij aan tegen zijn rol: beleeft hij die als 'gewoon maar een rol' of heeft
Literatuuronderwijs en Emotionele Intelligentie - Joop Dirksen 149