Een schrijftaak moet niet enkel motiverend zijn, maar ook relevant. Concreet betekent dit: sluit de schrijftaak enigszins aan bij de eindtermen schrijven? De leerlingen schrijven bijvoorbeeld een oproep, uitnodiging of instructie voor leeftijdsgenoten (ET 4.2). De leerlingen schrijven een brief aan een bekende om een persoonlijke boodschap of belevenis over te brengen (ET 4.3). De leerlingen schrijven een verslag van een gebeurtenis, een verhaal of een informatieve tekst voor een gekend persoon (ET 4.4), ...
2 Trek voldoende tijd uit voor een schrijftaak
Geef de leerlingen, eens de keuze voor een bepaalde schrijftaak is gemaakt, voldoende tijd om aan hun schrijfopdracht te werken.
Plan schrijfopdrachten bij voorkeur niet vlak voor een pauze of op het einde van de klasdag. Ga daarbij flexibel met de tijd om: leerlingen die vroeger klaar zijn, kunnen bijvoorbeeld een boek lezen of iets anders doen.
Het kan interessant zijn om een schrijftaak op te nemen in contractwerk (bv. in een duocontract), zodat de leerlingen zelf kunnen bepalen wanneer ze de schrijfopdracht precies uitvoeren.
Geef de leerlingen geregeld tijd om hun schrijfproduct te herschrijven. (Dit is natuurlijk niet nodig voor élk schrijfproduct.) Bij schrijftaken die bedoeld zijn voor een echte lezer kan je ze hiervoor wel motiveren. Leerlingen maken hun schrijfproduct beter, zowel op inhoudelijk als op vormelijk vlak. Dit is een belangrijk leermoment: leerlingen reflecteren over hun eigen schrijfproduct. Voeg iets toe aan het schrijven van een tweede versie: laat de leerlingen hun tekst intypen, illustreren, met stiften schrijven, op mooi briefpapier schrijven, ...
3 Zorg voor een goede ondersteuning van de leerlingen
Laat leerlingen elkaar ondersteunen: leerlingen werken samen (in duo's of in groepjes) aan één schrijfproduct of ze mogen met een partner overleggen over hun individuele schrijfproduct (samen brainstormen, elkaar vragen stellen, iets aan elkaar laten lezen of voorlezen, ...).
Als leerkracht ondersteun je de leerlingen, niet enkel voor en na het schrijven, maar ook tijdens het schrijfproces. Je loopt rond en ondersteunt waar nodig. Hierbij besteed je vooral aandacht aan de inhoud van de tekst; de vorm is voor later. Kruip in de rol van de lezer / het doelpubliek (Wat zou voor de lezer onduidelijk of verwarrend kunnen zijn? Welke informatie ontbreekt?) en stel vanuit die rol denkstimulerende vragen: Wat bedoel je met (..)? Hoe zit dat precies? Wie deed dat? Waarom (..)? Een goede manier om feedback te geven is de verwarring van de lezer spelen: je geeft een mogelijke verkeerde interpretatie weer. De leerling zal daar meestal onmiddellijk op
De school als schrijfpaleis! - Martien Geerts 1 53