ken. En door met anderen samen te werken, iets te ondernemen en problemen op te lossen. Praten brengt kinderen in contact met woorden en voorziet ze van informatie die ze nodig hebben om van boeken te genieten en teksten te begrijpen. Dit geldt voor zowel fictie als non-fictie. Denk aan alle vakken die zij op school tegenkomen inclusief rekenen, zaakvakken, geschiedenis, taal en geletterdheid.
Aan deze argumenten ontlenen we de volgende stellingen: 1
. Mondelinge taalontwikkeling moet gedurende de gehele basisschoolperiode gestimuleerd worden.
De ontwikkeling van alle mondelinge vaardigheden is nog lang niet voltooid als kinderen rond hun achtste jaar toegang hebben gekregen tot schriftelijke taal. Hun alledaagse mondelinge vaardigheid wordt gaandeweg de basisschool uitgebreid met taal voor meer 'schoolse' doeleinden, taal die steeds sterker verbonden is met denken en los staat van het hier en nu. Voor schoolse taalvaardigheid geldt ook dat mondeling taalgebruik de voorloper is van schriftelijk en dat mondelinge communicatie de verwerving van schriftelijke componenten kan vergemakkelijken.
2. Er is te weinig ruimte voor mondelinge taal in hogere groepen van de basisschool. Vanaf groep 3 bestaat het taalonderwijs op de basisschool steeds meer uit schriftelijke activiteiten. Met name begrijpend lezen neemt een prominente plek in. Nu is begrijpend lezen een essentiële vaardigheid om informatie te kunnen verwerken, maar in de praktijk blijft er weinig ruimte over voor mondelinge vaardigheden. Terwijl die toch de basis vormen voor schriftelijke. Tè weinig ruimte, als je kijkt naar wat leerlingen uiteindelijk allemaal mondeling moeten kunnen. Mondelinge taal verdient daarom gedurende de gehele basisschoolperiode expliciete aandacht. Niet alleen in de voor- en vroegschoolse periode.
2 Taalproductie en het taalleermechanisme
Niet alle interactie met kinderen is automatisch gunstig voor taalontwikkeling. Interacties zijn gunstig als kinderen pratend taalvaardigheid kunnen ontwikkelen. Dit gebeurt in gesprekken waarin kinderen passend taalaanbod en adequate feedback krijgen van volwassenen, maar ook uitgebreid zelf kunnen praten. Waar taalproductie centraal staat, dus. Alleen wanneer je zelf aan het woord bent, let je op hoe je praat: uitspraak, woorden, woordvormen, zinsbouw, tekstbouw, taalgebruik en gespreksvaardigheid. Dat gebeurt bewust of onbewust, maar dat 'opletten' is nodig om uit de taal om je heen op te pikken wat je nog niet wist. Denk maar eens aan je eigen (volwassen) ervaringen in een vreemde taal. Wanneer kinderen uitgebreid gelegenheid krijgen om te praten en vooral als ze op eigen initiatief praten, gaat er iets in werking dat we het `taalleermechanisme' noemen: zie figuur 1. Zelf praten leidt via dit taalleermechanisme niet alleen tot vlotter uit je woorden komen, maar ook tot uitbreiding van taalkennis. Kortom taalverwerving. Gesprekken waarin dit gebeurt, noemen we taalverwervingsgerichte gesprekken of ook wel kortweg 'goede' gesprekken.
2 I CombiList Team Training voor leerkrachten - Akke de Blauw en Resi Damhuis