komt en die kenmerkend zijn voor het beroep en waarvoor hij of zij een aanpak of oplossing moet bedenken'. Voorbeelden van kernopgaven zijn: 'toezicht houden op publiek domein', 'optreden bij verkeersongevallen' en 'optreden bij misdrijven'. Een student op niveau 2 doorloopt negen kernopgaven in anderhalf jaar, een student op niveau 4 doorloopt tweeëntwintig kernopgaven in vier jaar.
Voor elke kernopgave is vastgelegd over welke competenties de student moet beschikken om de beschreven taken, het werkpatroon, adequaat te kunnen uitvoeren. Een student doorloopt meerdere kernopgaven tegelijk, gedurende minstens één schoolkwartiel en één korpskwartiel. Ter afsluiting van een kernopgave legt de student aan het einde van een korpskwartiel een proeve van bekwaamheid af, waarmee hij aantoont competent te zijn. Een proeve van bekwaamheid kan bestaan uit verschillende soorten examenopdrachten:
- een arbeidsproef;
-
een simulatie (arbeidsproef met gesimuleerde onderdelen, acteursimulatie, simulator, computersimulatie);
-
een authentieke opdracht (complexe casuïstiek);
-
pen-en-papier-toets.
Deze proeven worden afgenomen door het Bureau Examinering, een onderdeel van het al eerder genoemde Centrum voor Competentiemeting en Monitoring.
Per kernopgave zijn vier soorten competenties beschreven:
deze vormen de kern van het beroepsprofiel en zijn gericht op het vermogen om op adequate wijze producten en diensten te leveren;
deze zijn gericht op het plannen en regelen van het eigen werk in de context van de organisatie;
deze hebben betrekking op het functioneren in een arbeidsomgeving, op samenwerking en op coördinatie van arbeid;
deze verwijzen naar het vermogen bij te dragen aan de eigen ontwikkeling en die van arbeidsorganisatie en beroep.
Een voorbeeld van een beschrijving van een kernopgave is ter illustratie bij dit artikel opgenomen.
De student doorloopt de kernopgaven door leeropdrachten uit te voeren, die weer zijn onderverdeeld in leeractiviteiten. Per leeropdracht zijn de gewenste resultaten vastgesteld, gebaseerd op de te verwerven competenties.
Een leeractiviteit wordt vormgegeven volgens het didactisch OUT-principe: oriënteren, uitvoeren en terugkijken. De student oriënteert zich op de context van de opdracht, activeert voorkennis en bepaalt welke resultaten hij of zij met de opdracht dient te behalen. Vervolgens voert de student de opdracht uit, al dan niet ondersteund
Beroepsgerichte taalvaardigheid in het politieonderwijs - Sanne Limpens 145