taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 2 | Tweede conferentie Het Schoolvak Nederlands (1987)


Bijdrage: Onderzoek naar de kennis van het Nederlands bij Franstalige leerlingen in het eerste jaar secundair onderwijs in Antwerpse Vrije Katholieke Nederlandstalige instituten en colleges, kortweg project taalbeheersing (Jos van de Poel)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Jos van de Poel (10.30 u. - R124)

Onderzoek naar de kennis van het Nederlands bij Franstalige leerlingen in het eerste jaar secundair onderwijs in Antwerpse vrije Katholieke Nederlandstalige instituten en colleges, kortweg project taalbeheersing.

Er zijn nogal wat Franstalige Antwerpenaars. Waar zenden die hun 12-jarigen naar school ? Waarom ? Welke taal spreken die kinderen onder elkaar, in de klas, in de lessen ? Kunnen ze mee voor algemene vakken ? En voor Nederlands als schoolvak en als voertaal ? Behandelen de leerkrachten hen als de andere niet-Franstalige leerlingen ? En hoe benadert de leerkracht Nederlands hen ? En .'.. als ze voor het eerste jaar al slagen, wat gebeurt er in hun verdere middelbareschoolloopbaan ?

Er wordt vermoed en gedeeltelijk uit inspectie-waarnemingen bevestigd, dat deze leerlingen onvoldoende Nederlands kennen bij het verlaten van de basisschool. Ze beheersen wel de meta-taal van het schoolvak Nederlands, halen wel voldoendes, of krijgen ze cadeau, gaan wel over, maar kennen geen Nederlands en kunnen deze taal dus ook onvoldoende of niet in courante vorm gebruiken. Dikwijls zitten ze een jaar over, vooral na de eerste graad. Nog meer degraderen ze van de moeilijkste, abstraherende studierichting naar de gemakkelijkste, concretiserende.

Leerkrachten Nederlands 1ste jaar, worden en werden' nietopgeleid om deze leerlingen te begeleiden. Die begeleiding beperkt zich tot enkele occa sionele vingerwijzingen soms aangevuld door privé-les op initiatief van

de ouders. Het lesrooster voorziet bijna geen mogelijkheid tot remediëring, omdat de tijd te kort en de achterstand te groot is. En als er al tijd zou zijn, ontbreekt efficiënt remediëringsmaterieel. Morele steun vanwege collega's andere vakken hoeft niet verwacht te worden. Dikwijls ontbreken hun de kennis van het Nederlands en de tijd binnen de te grote klasgroepen en

de te krap toegemeten lesuren.

Tussen 15 november 1985 en 30 juni 1987 kon een project in gang gehouden worden, dat bovenstaande vaststellingen bevestigde en remediëringsmaterieel poogde te verzamelen. Contacten werden gelegd met leerlingenleerkrachten, ouders, directie en inspectie. Hieruit bleek, dat van de duizend onderzochte leerlingen er honderdzestig 'tweetalig' waren. Dertig onder hen waren Nederlandsonkundig, d.w.z. ze konden de dagelijkse schooltaal van leerkrachten en medeleerlingen niet begrijpen. Zevenentwintig van die dertig hadden volledig basisonderwijs in het Nederlands 'genoten'. In drie van de eenentwintig onderzochte klassen waren tachtig percent van de leerlingen 'tweetalig'. De leerkrachten beschikten over geen extra-tijd om te remediëren.

Door de werkgroep, geruggesteund door DSKO-Antwerpen, UI-Antwerpen, KU-Leuven, en Louvain-la-Neuve, werd summier remediëringsmaterieel ontwikkeld i.v.m. aan te brengen woordenschat, taaleigen, zinspatronen en situationeel Nederlands. Spraakkunst en spelling werden eerder naar de klassikale lesuren verwezen, omdat sommige Nederlandstalige leerlingen ook daar een grote achterstand vertonen en het probleem tijdens de lesuren Nederlands in extenso behandeld wordt.

Er blijft nog heel wat werk voor de boeg ...

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties