taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Twintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 20 | Twintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2006)
Download deze volledige bundel in PDF-formaat »
Lees samenvattingen van de bijdragen in bundel »


Bijdrage: Vertel eens in de praktijk. De leeskring als didactische werkvorm (Lidwien Derriks)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

  1.  Literatuur

niet zo makkelijk als het lijkt. Het is meer dan 'met leerlingen discussiëren over de bedoeling van een gelezen boek of gedicht', al of niet 'met een heldere stelling als uitgangspunt'. Waar het vooral om gaat, is structuur aanbrengen in het praten over boeken, zoals Chambers in zijn methode beoogt. Het stramien waar ik tot nu toe succes mee heb is het volgende:

  1. Een rondje reactie d.m.v. een waarderingswoord. Iedereen zegt wat hij van het boek vond.

  2. Daarbij sluit meteen de volgende vraag aan (tweede rondje). Indien het waarderingswoord positief uitpakt: wat vond je er spannend, ontroerend, interessant, etc. aan? Indien de eerste reactie negatief uitvalt, luidt de tweede vraag onvermijdelijk: wat vond je er geconstrueerd, langdradig, etc. aan? Daaruit blijkt al meteen dat verschillende lezers er een heel verschillend oordeel op kunnen nahouden, en bovendien heel verschillend tot hetzelfde oordeel kunnen zijn gekomen.

Heel belangrijk is het om de 'neiging tot consensus' die de meesten van ons hebben, de kop in te drukken. Het gaat er niet om dat de lezers het met elkaar eens worden; integendeel zou ik haast zeggen.

Een tweede neiging die onderdrukt moet worden, is de neiging om één (mening) te laten winnen. Het is zaak dat de gespreksleider ingrijpt als een lezer in herhalingen valt, wat betreft zijn argumenten!

Ook is het belangrijk dat iemand die in eerste instantie een negatief waarderingswoord geeft, in tweede instantie best wat goeds van het boek kan noemen. Sommige lezers komen in een negatieve spiraal, terwijl die kan doorbroken worden door alle lezers te laten reageren op beide vragen.

De neiging is groot om meteen in te gaan op de argumenten (lees: de gegevens uit de tekst) die de lezers aanvoeren om hun oordeel te staven. Ook die neiging moet worden onderdrukt. Bij deze twee vragen gaat het niet om discussie. Doorvragen is alleen belangrijk als onduidelijk is wat men bedoelt.

  1. De volgende vraag is uiterst belangrijk. Welke vragen heb je over de tekst? Varianten op deze vraag: Wat snap je niet? Wat vind je moeilijk? Wat wil je nog weten? Hier geldt: elke -vraag is het waard om gesteld te worden, alleen zijn sommige vragen makkelijker te beantwoorden dan andere, en blijken sommige helemaal niet te beantwoorden te zijn. Belangrijk is om alle vragen te inventariseren, waarbij de woorden van de vraagsteller gebruikt worden, en daarna pas aan de beantwoording te beginnen. De beantwoording geschiedt met vereende krachten. Dit is altijd zeer bevredigend: dan blijkt dat men elkaar kan helpen, en dat er allerlei soorten vragen zijn; die waarvan het antwoord in de tekst staat en die waarvan het antwoord niet in de tekst staat, maar die je kunt invullen vanuit je leeservaring of kennis van de wereld en ten slotte die vragen waarop meer antwoorden mogelijk zijn

109

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties