taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Twintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 20 | Twintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2006)
Download deze volledige bundel in PDF-formaat »
Lees samenvattingen van de bijdragen in bundel »


Bijdrage: De Gereedschapskist Taal (René Berends)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

1. Basisonderwijs

`Wetenschappelijk Onderzoek Doen'

Een meisje met een Duitse vader en een jongetje met een Franse moeder wilden onderzoeken welke taal voor Nederlandse kinderen moeilijker te leren is: Frans of Duits. Ze stelden een hypothese op. Ze bedachten dat Duits de makkelijkste van de twee talen zou zijn, omdat het Duits, net als het Nederlands, een Germaanse taal is. De leerlingen schreven vervolgens een onderzoeksplan voor hun onderzoeksvraag. Ze maakten een woordlij st van vijftig Nederlandse woorden met een vertaling erbij in het Frans en het Duits. Die woordlijst kregen de klasgenoten uit groep 8 als huiswerk op. Aan het eind van de week volgde een toets. Deze toets werd door de twee leerlingen nagekeken, het gemiddelde aantal fouten werd berekend, waarna het onderzoek afgerond werd met de conclusie, dat de gestelde hypothese correct was. Er werden gemiddeld 2,6 fouten in de Duitse woordjes en 4,5 fouten in de Franse woordjes gemaakt. De twee leerlingen presenteerden hun onderzoek keurig in een onderzoeksverslag en presenteerden het totale onderzoek aan de klas.

Op de pabo in Deventer van Saxion Hogescholen moeten studenten in het derde jaar de specialisatie onderbouw of bovenbouw kiezen. Bij de bovenbouwspecialisatie hoort het uitvoeren van een project op de eigen stageschool van de student. Het onderwerp van dat project is door de opleiding vastgesteld. Het moet gaan over het doen van wetenschappelijk onderzoek.

Waarover dat onderzoek moet gaan wordt volledig vrij gelaten. Uiteraard moeten de studenten hun leerlingen wel vertellen hoe wetenschappers in hun onderzoek te werk behoren te gaan. Daarbij hoort een inleidende les over hoe je bijvoorbeeld een onderzoeksvraag en een probleemstelling formuleert, hoe je een hypothese opstelt en ook moeten leerlingen geïnformeerd worden over het kiezen van een onderzoeksinstrument en over manieren van verslaglegging van onderzoeksgegevens. Uiteraard allemaal op een voor leerlingen begrijpelijke manier uitgelegd. Hoe dat in zijn werk kan gaan horen de studenten op de pabo.

Om zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de principes van betekenisvol en authentiek werken worden de studenten aangezet de onderwerpkeuze zoveel mogelijk aan de kinderen zelf over te laten. Deze werkvorm eist van de student dat hij niet 'de docent speelt', maar begeleider is van leerprocessen.

Het uitvoeren van deze stageopdracht kost veel studenten de nodige hoofdbrekens. Kinderen zijn er vaak niet aan gewend om met projecten te werken en vragen veel begeleiding, mentoren op de stagescholen vinden het soms weer zo'n 'vreemde opdracht' van de opleiding en veel studenten zijn erg onzeker, omdat ze in hun lessen moeten leren het initiatief los te laten en ruimte te geven aan de leerlingen.

Het 'just in time' aanleren van strategieën en aanpakgedrag

29

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties