taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Twintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 20 | Twintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2006)
Download deze volledige bundel in PDF-formaat »
Lees samenvattingen van de bijdragen in bundel »


Bijdrage: Drama bij Nederlands (René van de Kraats)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

TWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

gen – al dan niet improviserend – zelf toneel spelen naar aanleiding van een verhaal (mythen, sagen en legendes worden met name geschikt bevonden), een gedicht of een zelfverzonnen script. Daarmee sluiten ze aan bij wat Martien de Boer en Helge Bonset al voorstelden in het vijfde hoofdstuk over fictie in Nederlands in de onderbouw (Coutinho, Bussum 2005): "Laat leerlingen zelf situaties improviserend uitspelen, waarbij ze zich in een bepaald personage en een bepaalde rol moeten inleven".

In zijn handreiking bij de nieuwe eindtermen voor de tweede fase (Handreiking schoolexamen havo/vwo, SLO, Enschede 2005) schrijft dezelfde Helge Bonset na een korte schets van de geschiedenis van drama bij Nederlands: "Docenten Nederlands die drama trouw zijn gebleven, of er ondanks het bovenstaande in geïnteresseerd zijn geraakt, zullen wellicht bovenbouwleerlingen kunnen vinden die dramalessen willen volgen. Dit lijkt ons een legitieme aanvulling op het vak Nederlands, waarbij het voor zich spreekt dat het om een keuzemogelijkheid gaat voor individuele leerlingen. De toetsing in het schoolexamen is lastiger dan bij de hiervoor geschetste mogelijkheden. Zelf zouden wij denken aan een regeling, gebaseerd op aanwezigheid en inzet, maar wellicht zijn er ook andere mogelijkheden". Met deze formulering maakt Bonset in ieder geval duidelijk dat 'drama mag', maar over de precieze invulling van de drama-lessen laat hij zich niet uit. Geheel in de geest van de herijking, wordt dat aan de school zelf overgelaten.

Wie de handboeken van nu vergelijkt met die uit de jaren zeventig en begin jaren tachtig, moet constateren dat de discussie en theorievorming uit die tijd helemaal weggezakt is. Als je daarop terugblikt, besef je pas goed hoezeer ons vak in de jaren negentig van de vorige eeuw en in het begin van deze eeuw de aansluiting bij de creatieve kanten ervan is kwijtgeraakt. Dramatische vorming wordt sinds die tijd vooral opgevat als 'leren toneelspelen' bij het schoolvak drama. Een betrekkelijke noviteit als dramatische werkvormen in ons vak is grotendeels uit het programma Nederlands verdwenen.

In 1977 publiceerde Hans van Dam, als één van de eersten, een DCN-cahier (nr.4) over Drama als werkvorm (Wolters-Noordhoff, Groningen), waarin hij een gedegen uiteenzetting geeft over open en gesloten dramatische werkvormen in de lessen Nederlands, toegelicht met voorbeelden uit de praktijk. De open vormen worden gekenmerkt doordat ze uitnodigen tot divergente leerprocessen en weinig planning, maar wel veel voorbereiding vergen en gemakkelijk te plaatsen zijn in een procesmodel, terwijl de uitvoering van het onderwijsleerproces in hoge mate vastligt. De gesloten werkvormen maken convergente denkprocessen mogelijk en vergen een intensieve planning en analyse vooraf. Tot die laatste werkvormen rekent hij simulatiespel, gestructureerd rollenspel, tekstspel en toneel. Eerder was Peter van Lint in een speciaal themanummer van Levende Talen (298, 1973) over drama in het onderwijs al op een nadere indeling van de open dramatische werkvormen ingegaan: kleine, zoals

50

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties