EENENTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS
ondermaats zijn. "In een les waarin je alles moet leren, steek je niks op. Het afschuiven van taalonderwijs naar goedwillende praktijkleraren is domme gemakzucht. Het is pure verwaarlozing", zo schreef Aleid Truijens bijvoorbeeld op 13 oktober j.l. in de Volkskrant.
De grimmige beelden die vaak worden opgeroepen, zijn echter niet geheel vrij van nostalgische sentimenten. Zoals zo vaak, wordt de huidige situatie beoordeeld met de bril van vroeger tijden, toen we nog goed leerden spellen, schrijven en lezen. Hoe goed we dat feitelijk konden, en hoe zich dat verhoudt tot de vaardigheden van huidige leerlingen is echter niet bekend. Daarover bestaan slechts beelden, vaak gebaseerd op vage herinneringen of incidentele voorbeelden. Wie heeft zijn taalschriftjes van de basisschool nog bewaard en wil die beschikbaar stellen voor representatief vergelijkend onderzoek? Bovendien verliezen de rabiate tegenstanders van het "Nieuwe Leren" uit het oog dat het onderwijs van 40 jaar geleden zich afspeelde in een heel andere context. Het grootste vergrijp dat zich in die tijd op school kon voordoen was wanneer je in de klas betrapt werd op neuspeuteren, spieken of vliegtuigjes vouwen. Volwassenen werden altijd aangesproken met twéé woorden. De slechtste leerlingen zaten altijd achterin de klas, en van grootschalige immigratie uit andere landen, meertaligheid en andere culturele identiteiten had nog niemand gehoord.
Behalve door de diversere schoolpopulatie onderscheidt de huidige tijd zich ook door aan leerlingen andere eisen te stellen wat betreft de omgang met informatiebronnen en communicatiemiddelen (email, chat, internet, gsm) en door zijn nadruk op individuele behoefte bevrediging. Leerlingen moeten "op maat" worden bediend in het onderwijs, ieder naar zijn eigen behoeften. Dat is al vele jaren ook officieel overheidsbeleid (getuige de nadruk die de Inspectie van het onderwijs legt op "differentiatie" en "adaptief onderwijs"). De klas waarin iedereen dezelfde leerstof in hetzelfde tempo moet verwerken (`one size fits all'), behoort al geruime tijd niet meer tot de realiteit. Elke zichzelf respecterende leerkracht weet dat er rekening gehouden moet worden met de verschillen: hoogbegaafden, dyslectici, snelle leerders, trage leerders, visueel ingestelden, auditief ingestelden enzovoorts. En als klap op de vuurpijl: de uitval (met name in het secundair beroepsonderwijs) is een groot probleem. Veel leerlingen komen van school zonder een degelijke beroepskwalificatie. Kennelijk is het onderwijs er niet in geslaagd deze leerlingen te overtuigen van het nut van een afgemaakte opleiding.
Het is misschien niet overdreven om te spreken van een crisis voor het vak Nederlands. Teruggaan naar de jaren 50 en 60 is geen optie. Er zal iets nieuws moeten gebeuren. Welke mogelijkheden biedt het "Nieuwe Leren" aan Nederlands? Opheffing van het vak, zoals in sommige realisaties van "Nieuw Leren" gebeurt, is geen aantrekkelijk vooruitzicht. Maar er zijn redenen om optimistisch te zijn. Ook in scholen waar geëxperimenteerd wordt met vormen van "Nieuw Leren" dringt het inzicht door dat de doelstellingen van Nederlands niet behaald worden alleen door in andere vakken
XVIII