taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Eenentwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 21 | Eenentwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2007)
Download deze volledige bundel in PDF-formaat »


Bijdrage: Zin en onzin van uitspraakonderwijs (Marc van Oostendorp)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

7. Taalbeschouwing

In zijn artikel doet Van Haeringen nóg een voorspelling die in het geheel niet uitgekomen is: "Mensen, die met hun stem moeten werken: predikanten, toneelspelers, onderwijzers, nemen hoe langer hoe meer 'spreekles'." Hoe het met die predikanten en toneelspelers zit, weet ik niet zeker, maar dat onderwijzers en leraren heden ten dage in groten getale spraakles zouden nemen, waag ik te betwijfelen. Ook in het taalonderwijs dat zijzelf verzorgen, speelt de uitspraak slechts een marginale rol. In de kerndoelen voor het basisonderwijs, de havo en het vwo wordt niet van uitspraaknormen gerept; alleen in de kerndoelen voor het vmbo komt uitspraak zijdelings ter sprake.

De grote drang naar eenheid heeft dus niet doorgezet. Moeten we dat betreuren? Zouden we de toch al uitgebreide kerndoelen voor het onderwijs Nederlands nog verder kunnen uitbreiden met explicietere aandacht voor de uitspraak? Zou zulk onderwijs niet juist een bijdrage kunnen leveren aan integratie? Dat zijn de vragen die in deze sessie aan de orde komen. In dit stuk draag ik alvast wat materiaal aan voor de discussie.

Uitspraakonderwijs in Nederland

Uit een enkele jaren geleden aan de Universiteit Antwerpen uitgevoerd onderzoek blijkt, dat er in het Nederlandse basis- en middelbaar onderwijs geen of nauwelijks aandacht is voor uitspraakkwesties.(13) Niet alleen zijn deze zoals gezegd niet opgenomen in de kerndoelen, ook de individuele lesmethodes maken er geen melding van. Er is alleen af en toe sprake van de puur 'technische' aspecten van de uitspraak: volume, duidelijkheid, spreektempo. Slechts één lesmethode(14) beveelt als 'algemene eisen die aan het spreken van correct Nederlands kunnen worden gesteld' aan om te letten op let zuiver uitspreken van de klanken', alsmede 'vloeiende overgangen tussen de klanken aanbrengen', overigens zonder dat erg duidelijk wordt wat hiermee precies wordt bedoeld. Het lijkt bijvoorbeeld voor een menselijke spreker (anders dan voor een computer) vrij lastig om géén 'vloeiende overgangen' tussen spraakklanken aan te brengen. Dat ligt nu eenmaal in de aard van de menselijke spraakorganen. In één andere methode(15) wordt de leraar juist expliciet aangeraden om zoveel mogelijk taalvariëteiten in de klas toe te laten, om zo spreekangst te voorkomen.

13 De gegevens in deze paragraaf komen voor een belangrijk deel uit Hanne Kloots' "Uitspraakonderwijs in het vak Nederlands in Vlaanderen en Nederland op het einde van de twintigste eeuw". Antwerp Papers in Linguistics 104. http://webh01.ua.ac.be/apil/apil104/index.htm

14 De Heer, K. (1996). Sprekenderwijs. Docentenhandleiding. Zutphen, Thieme,

1996, 1ste dr., 3de opl.

15 Bonset, H., M. de Boer, en J. Boland. 1999. Vanzelfsprekend. Mondelinge taalvaardigheid in de tweede fase,

129

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties