Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: Doorlopende leerlijn taal? Dan ook in het hoger onderwijs! Conceptuele uitgangspunten voor een taalbeleid in het hoger onderwijs (Frans Daems & Wilma van der Westen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

TWEEËNTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

  1. Een smalle opvatting

Bij een smalle opvatting past een taalbeleid dat zich richt op de groep taalzwakke studenten – zowel autochtone als allochtone studenten – die extra taalles nodig hebben. De studenten kunnen op twee manieren geselecteerd worden: via een signalering van taaltekorten door een docent, decaan of studieloopbaanbegeleider van de opleiding, of door een taaltoets aan het begin van de opleiding of studie. Het taalbeleid heeft de vorm van opvang van de taalzwakke studenten in deficiëntieonderwijs, bijspijkertrajecten of steunlessen. Soms is er ook sprake van individuele opvang. De inhoud kan gerelateerd zijn aan de opleiding, maar is dat niet per se. De taaldocenten die de bij-spijkertrajecten of steunlessen organiseren, bepalen de inhoud, de didactiek en het niveau van deze trajecten of lessen. De opleiding stelt daartoe financiële middelen ter beschikking. De student krijgt steun of hulp. Een dergelijk taalbeleid richt zich voornamelijk op de leerstof van het primair en het voortgezet onderwijs en kan gemakkelijk weer ingetrokken worden. De in Nederland ingevoerde pabo-toets werkt op die manier. Het is de vraag of je hier wel kunt spreken van een taalbeleid. Het is meer een opvangmodel of een voorziening voor taalzwakke studenten.

  1. Een tussenvorm

Een tussenvorm is een taalbeleid waarin een grotere groep studenten ondersteuning krijgt. Alle studenten worden getoetst en de studenten die dat nodig hebben, krijgen een vorm van taalondersteuning aangeboden. De ondersteuning is niet vrijblijvend: de opleiding committeert zich aan het taalbeleid, bijvoorbeeld door studiepunten ter beschikking te stellen of door bij bepaalde toetsen minimale taaleisen te stellen. De taalondersteuning sluit er bij aan en is sterk gerelateerd aan de eisen, de inhoud en de opdrachten van de opleiding. Alle docenten weten van het bestaan van de taalondersteuning en verwijzen studenten naar deze ondersteuning, wanneer blijkt dat ze onvoldoende taalvaardig zijn. De opleiding ziet zich verantwoordelijk voor de taalvaardigheid van haar studenten en stelt de nodige financiële middelen ter beschikking. Er is een beperkte vorm van integratie in het curriculum, namelijk in de vorm van overleg of samenwerking tussen de opleiding en de docenten die de ondersteuning uitvoeren (bijvoorbeeld op het terrein van terugkoppeling van voortgang en resultaten, gezamenlijke afspraken over taalniveau en taalopdrachten, etc.). Soms worden vakdocenten geschoold in het meten van taalvaardigheid bij specifieke opdrachten of worden taaleisen bij bepaalde opdrachten ingevoerd. Daarnaast is er vaak sprake van overeenstemming over taaleisen. Soms werkt de student aan zijn taalportfolio waarin taalproducten worden opgenomen.

102