Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: Talige startcompetenties in het hoger onderwijs (Hans de Vries & Wilma van der Westen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

4. Hoger onderwijs

opleiding gevolgd hebben, maar ze kunnen ook een mbo-opleiding hebben afgerond. De student met het havodiploma heeft een eindexamen gedaan voor het vak Nederlands, maar in de bovenbouw van het havo wordt vaak onvoldoende tijd en aandacht geschonken aan schrijfvaardigheid, zodat er onvoldoende aansluiting is met wat het hbo op het gebied van taalbeheersing van studenten verwacht (Bonset 2008). In het mbo wordt taalvaardigheidsonderwijs in toenemende mate geïntegreerd in het onderwijs van andere vakgebieden. Dat heeft voordelen, maar er zijn ook risico’s aan verbonden. Het grootste risico is dat de aandacht voor taalvaardigheidsonderwijs kleiner wordt ten voordele van het vakonderwijs. Vakdocenten zijn immers vaak onvoldoende opgeleid om taalvaardigheidsonderwijs te verzorgen. Maar als het Nederlands op het mbo als apart vak gegeven wordt, is het maar de vraag of het aantal uren waarbij er aandacht is voor taal wel voldoende is om de taalvaardigheid van mbo-studenten op niveau te brengen (Inspectie van het Onderwijs 2006). Dat stelt afgestudeerden van het mbo voor grote problemen bij de aanvang van hun studie in het hbo, omdat in elke studierichting van het hbo hoge eisen worden gesteld aan de taalbeheersing van studenten, zowel aan hun schrijfvaardigheid als aan hun lees- en spreekvaardigheid. Naast studenten uit het havo en mbo zijn er studenten die hun vooropleiding niet in Nederland, maar in het buitenland hebben gevolgd. Die groep instromende eerstejaarsstudenten is niet alleen heterogeen wat betreft de vooropleiding die ze heeft gehad, maar ook wat betreft hun afkomst. Een toenemend aantal studenten komt namelijk uit gezinnen waar Nederlands niet de voertaal is. Kortom: hbo-opleidingen hebben te maken met een heel heterogene groep studenten, ook als het gaat om hun niveau van taalbeheersing. Ook universiteiten hebben om dezelfde redenen te maken met een heterogene instroom, hoewel de heterogeniteit tot nu toe iets minder is groot is dan in het hbo.

De heterogeniteit van de groep instromende studenten en de toenemende mobiliteit – ook in schoolloopbanen – vergroten de behoefte om de gewenste talige startcompetenties van studenten te beschrijven.

3. Een korte beschrijving van de taalproblematiek

Wat zijn nu de taalproblemen waar eerstejaarsstudenten mee geconfronteerd worden? Over het algemeen heerst er een redelijke mate van tevredenheid over het niveau van de spreekvaardigheid. Ook over de leesvaardigheid van studenten zijn over het algemeen geen grote klachten. De geconstateerde taalproblemen zijn vooral geconcentreerd op het terrein van de schrijfvaardigheid (Bonset 2008). Spelling, grammatica en woordenschat zijn ondersteunend aan de schrijfvaardigheid.

De klachten over de gebrekkige schrijfvaardigheid van studenten richten zich in eerste instantie op de gebrekkige beheersing van spelling en grammatica. Bij nadere beschouwing blijkt er echter vaak meer aan de hand te zijn: de slechtlopende zinnen die studenten produceren en het gebrek aan samenhang in hun teksten worden vaak niet ver-

4

117