Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: Taaltoetsen voor taalzwakke leerlingen in het primair onderwijs (Erik van Schooten)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

TWEEËNTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal – mede op grond van het hier gepresenteerde onderzoek – voorgesteld om geen taaltoets te gebruiken voor de gewichtenregeling die gehanteerd wordt voor financiering van het basisonderwijs.

Op grond van de beoordelingen van de ‘COTAN’ en van verschillende andere criteria zoals ‘afnamegemak’, is gekozen voor het evalueren van (delen van) vier verschillende taaltoetsen:

  1. het onderdeel ‘passieve woordenschat’ van de toets ‘Taal voor Kleuters’ (TvK) van het Cito;

  2. de ‘Peabody’, die eveneens passieve woordenschat meet;

  3. de onderdelen ‘passieve woordenschat’, ‘klankarticulatie’ en ‘klankonderscheiding’ van de ‘Taaltoets Alle Kinderen’ (TAK);

  4. de gehele ‘OBIS’ (Onderbouw Informatiesysteem), die naast ‘passieve woordenschat’, ‘klankarticulatie’ en ‘klankonderscheiding’ nog dertien andere subtoetsen kent, waarvan zes bedoeld als taaltoetsen en zeven als rekentoetsen.

Om de onderzoeksvragen te beantwoorden, zijn bij een steekproef van ruim 800 leerlingen (tussen vier en acht jaar oud) uit groep 1 en 2 van het basisonderwijs taaltoetsen afgenomen. De deelnemende leerlingen zaten op scholen met relatief veel achter-standleerlingen. Een deel van de leerlingen maakte dezelfde toets twee maal met een tussenpoos van ongeveer twee weken, om na te kunnen gaan of de taalscores stabiel blijven over de tijd. Een deel van de toetsen is door de groepsleerkrachten zelf afgenomen; een ander deel door externe, getrainde testleiders. Op die manier kon worden nagegaan of er, wat betreft de afnamekwaliteit, een verschil is tussen leerkrachten en getrainde toetsleiders. De ‘TvK’, ‘TAK’ en ‘Peabody’ zijn schriftelijk afgenomen; de ‘OBIS’ werd door de kinderen op de computer gemaakt.

De belangrijkste conclusies van het onderzoek zijn:

  1. De verschillende (sub)toetsen blijken voor leerlingen van vier tot acht jaar oud over het algemeen voldoende homogeen. Principale Componentenanalyses laten zien dat de (sub)toetsen elk ook min of meer unidimensioneel zijn.

  2. De stabiliteit (test-hertest) van de (sub)toetsen is minder goed. Acht van de 21 (sub)toetsen scoren onder .80. De stabiliteit van de (sub)toetsen in het identificeren van de 25% minst taalvaardige leerlingen is alleen hoger dan .80 voor de ‘TvK’ en voor de ‘OBIS’-subtoetsen ‘passieve woordenschat’, ‘klankarticulatie’, ‘kennis van letters’ en ‘kennis van getallen’.

  3. De overeenstemming tussen de verschillende (sub)toetsen in het identificeren van de 25% slechtst presterende leerlingen, is laag. Het maakt dus veel uit welke (sub)toets men kiest om de zwakst taalvaardige leerlingen te selecteren.

18