Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: Van Boek naar film. Horizontale en verticale vertelfuncties in Karakter (Esther Peze & Sonja Heebing)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

TWEEËNTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

Ronde 8

Esther Peze & Sonja Heebing Hogeschool Utrecht

Contact: esther.peze@hu.nl Sonja.heebing@hu.nl

Van Boek naar film. Horizontale en verticale vertelfuncties in Karakter

Bij boekverfilmingen komt vroeg of laat altijd de vraag aan de orde of de verfilming wel voldoende getrouw is aan het boek. Enerzijds is dit een gelegitimeerde vraag: een film met dezelfde titel en personages als een roman schept immers een aantal verwachtingen. Anderzijds gaat deze vraag geheel voorbij aan een aantal fundamentele verschillen in verteltechnieken tussen een roman en een film. Het belangrijkste verschil zit in het ‘percept’ van het visuele beeld en het ‘concept’ van het mentale beeld. (Bluestone 1957). De filmmaker vertaalt zijn eigen interpretatie van de roman naar een vertelling in beeld en geluid.

Wij gaan hieronder verder in op een aantal sturende narratieve functies in zowel romans als in films. Barthes (1966) stelde al dat elk narratief opgebouwd is uit niets anders dan functies. Hij maakte een onderscheid tussen twee belangrijke groepen die hij ‘distributional’ en ‘integrational’ noemde. Waar Barthes het uitsluitend over de roman had, heeft McFarlane (1996) deze theorieën ook toegepast op film. De bespreking van de verschillende vertelfuncties geeft een goede ingang om boek en film aan elkaar te relateren.

De functies die Barthes en McFarlane ‘distributional’ noemen, noemen we hier horizontaal. Het gaat om gebeurtenissen en handelingen die lineair in de tekst of film aaneengeregen zijn en naar de functionaliteit van ‘doen’ verwijzen. ‘Integrational’ functies noemen we verticaal. Ze geven betekenis aan de minder concrete aspecten van een vertelling die toch van groot belang zijn voor het verloop ervan. Het betreft hier bijvoorbeeld psychologische informatie over de personages, gegevens over hun identiteit, verwijzingen naar sfeer en beschrijvingen van plaats. De verticale functies beïnvloeden onze interpretatie van de vertelling niet op een lineaire, maar op een langzaam doordringende wijze; zij hebben betrekking op de functionaliteit van ‘zijn’. Hoewel Barthes en McFarlane de verschillende vertelfuncties nog verder hebben verfijnd en onderverdeeld, zullen wij ons beperken tot de horizontale en verticale functies. Ze geven immers toegankelijke handvatten om film en boek met elkaar te vergelijken.

196