Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: In de schoenen van de tweedetaalleerder (Sylvia Bacchini & Hanneke Pot)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

TWEEËNTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

  • de juiste manier om nieuwe woorden en betekenissen te introduceren;

  • heel veel herhaling om de woorden en hun betekenissen in te slijpen.

NT2- programma’s in de VVE, zoals Piramide, Puk en Ko, of Ik & Ko zeggen het gat in de woordenschat te willen dichten en daarvoor geschikte contexten te bieden. Leerkrachten doen hun best om met deze programma’s en via het didactische model van ‘de viertakt’ zoveel mogelijk woorden (en hun betekenissen) aan te bieden en te laten beklijven.

De genoemde VVE- programma’s bieden hun doelwoorden aan in thematische contexten. De betekenissen van de woorden worden in de spel- en ontdekactiviteiten via interactie of via verhalen en versjes aangeboden (i.e. gesemantiseerd). Dus: via spreektaal of voorleestaal (en meestal ondersteund door een visuele context van voorwerpen en afbeeldingen). Uit onderzoek komt naar voren dat men van geschreven teksten minimaal 95% van de losse woorden moet begrijpen om de tekst te kunnen begrijpen. Bij spreekteksten zal het percentage vermoedelijk niet lager zijn, omdat gesproken taal vluchtiger is dan geschreven taal. Je kunt als luisteraar de tekst immers niet nog snel even opnieuw lezen om de betekenis van een onbekend woord te achterhalen. Het percentage gekende woorden ten opzichte van het totaal aantal woorden noemt men ook wel de tekstdekking. Wanneer we de 50-, 200-, of 1000- woordenlijst uit Duizend- en-een- woorden (Bacchini 2005) gebruiken om de tekstdekking van de door de VVEprogramma’s gegenereerde spreek- of voorleesteksten voor jonge kinderen te berekenen, blijkt de conclusie te zijn dat deze teksten pas begrijpelijk zijn voor jonge tweedetaalleerders met een woordenschat van duizend woorden of hoger, zelfs verdisconteerd met de visuele context (Pot 2006/2007). Voor kinderen die minder dan duizend woorden kennen, zijn deze teksten – aangenomen dat de tekstdekking 95% moet zijn – in theorie dus niet begrijpelijk. Je kunt je dan ook afvragen wat kinderen uit dit taalaanbod zullen oppikken.

Volgens de viertakt (Verhallen 2002) gaat het bij het aanleren van woorden onder andere om het aanbieden van de vorm en de betekenis van een onbekend woord (semantiseren). Dat kan door de betekenis van het woord uit te beelden, uit te leggen en uit te breiden. Daarna moet het woord minstens zeven keer en in verschillende settings herhaald worden – zowel receptief als productief – om te kunnen beklijven (consolideren). Onze ervaring leert ons dat er voor jonge absolute beginners (kinderen) nog iets aan toegevoegd moet worden. Wanneer je deze kinderen hun eerste woorden wilt leren, speelt ook het aspect ‘luisteren’ een heel belangrijke rol bij het semantiseren. Bovendien zullen ze de woorden veel frequenter aangeboden moeten krijgen dan hoger vermeld, omdat ze anders nieuwe woorden niet kunnen begrijpen en evenmin kunnen opslaan. (Bacchini 2001; 2004/2005)

Hoe moet de context er dan wel uitzien? En welke eisen kun je stellen aan zo’n context, zo’n presentatie van nieuwe woorden? Wat moet semantiseren meer zijn dan het

212