Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: Werken met een kennisbasis Nederlands en diversiteit voor het taalontwikkelend vakonderwijs (Anneli Schaufeli & Mienke Droop)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

TWEEËNTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

2.2 Kernconcepten

Binnen de domeinen hebben we op basis van vak- en vakdidactische literatuur een lijst met kernconcepten samengesteld die we door deskundigen hebben laten beoordelen. Kernconcepten hebben we gedefinieerd als begrippen die binnen het betreffende domein relevant zijn en waarover een aankomende leraar moet kunnen beschikken. ‘Moet kunnen beschikken’ is natuurlijk een erg globale formulering. We doelen daarmee dan ook niet alleen op ‘weten waar dit concept voor staat’, maar ook op ‘over het vermogen beschikken om deze kennis in een relevante situatie adequaat in te zetten’. We hebben zoveel mogelijk gekozen voor een brononafhankelijke, neutrale formulering en we hebben geprobeerd daarbij overkoepelende concepten te hanteren. Opleidingen kunnen vervolgens zelf bepalen in hoeverre zij die kernconcepten verder willen uitsplitsen in concepten. Ondanks het feit dat de keuze voor het meest bruikbare niveau van formulering van het concept steeds goed doordacht is, behoudt het toch altijd een zekere mate van willekeur.

Een van de kernconcepten binnen het domein ‘mondelinge taalvaardigheid’ is ‘taal-ontwikkelende interactie’. Een vakspecifieke competentie zou dan bijvoorbeeld kunnen zijn: ‘de student is in staat de kenmerken van taalstimulerende interactie in een kringgesprek toe te passen’2.

2.3 Het klaverblad

We hebben ernaar gestreefd om binnen de domeinen samenhang tussen de kernconcepten aan te brengen. Daartoe hanteren we een klaverblad. We hebben ons daarbij laten inspireren door het als heuristiek bedoelde 9-veldenschema (Expertgroep Kwaliteit Lerarenopleiding Primair Onderwijs 2004) dat regelmatig gebruikt wordt bij het in kaart brengen van delen van de kennis voor leraren3.

Bij het formuleren van de kennisbasis voor een bepaald vakgebied is het in eerste instantie belangrijk om een onderscheid te maken tussen enerzijds ‘het wat’ (de inhoud van het vak zelf) en anderzijds ‘het hoe’ (de kennis van de didactiek). We kunnen bijvoorbeeld de kennis formuleren met betrekking tot jeugdliteratuur en kinderboeken (wat) waarover een aankomende leraar moet beschikken. Daarnaast kunnen we kennis vastleggen die betrekking heeft op onderwijsactiviteiten waarin deze leerinhoud aan de orde komt (hoe). Denk in het geval van jeugdliteratuur bijvoorbeeld aan ‘leesbevordering’. Wanneer je deze kennis in kaart gaat brengen, blijkt al gauw dat er binnen die twee categorieën begrippen voorkomen die specifiek betrekking hebben op dat domein, maar ook begrippen die meer algemeen van aard zijn en die behoren tot een soort ‘ondergrondkennis’. Door de dimensies ‘wat vs. hoe’ en ‘algemeen vs. specifiek’ te onderscheiden, komen we uit op een 4-veldenmatrix. Die willen we grafisch vormgeven in een klaverblad.

216