Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: Een projectweek met een gouden randje (Mieke Detienne & Brecht Vande Walle)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

7. Nederlands en vakoverschrijdende projecten

opvoeding’ dansen uit de Balkan aangeleerd. In de ‘lessen wiskunde’ werd gerekend zoals in de jaren 1950 en werden het volume en de omtrek van de bollen van het Atomium berekend. In ‘aardrijkskunde’ en ‘geschiedenis’ stond men stil bij ex-Joegoslavië. In de lessen ‘technologische opvoeding’ werkte men met 10 000 lego-blokjes die eveneens hun 50e verjaardag vierden. En in ‘plastische opvoeding’ ging men op zoek naar de Joegoslavische kunstenaars onder de leerlingen.

De projectweek werd gedragen door een tiental verantwoordelijken die de algemene lijnen uittekenden en brainstormden over mogelijke lesonderwerpen. Zo werd voorkomen dat in elk vak hetzelfde onderwerp werd aangesneden. Door alle voorstellen in één centraal punt te verzamelen, kon ook het overzicht over het totaalpakket behouden worden. Voor het uitwerken van een concreet lessenpakket deden we echter een beroep op de verschillende vakwerkgroepen. De vakcoördinatoren moesten het initiatief nemen zodat in elk jaar en in elke richting tenminste één uur in die week besteed werd aan het thema van de projectweek. Het resultaat was dat de leerlingen in die week ongeveer 15 uren bezig waren rond eenzelfde thema, maar telkens vanuit een andere invalshoek. Uiteraard willen we niet beweren dat elke leerkracht vol enthousiasme op die mallemolen sprong. Zoals in elke school kostte het behoorlijk wat tijd en inspanning van de werkgroep om de meerderheid van de collega’s te overtuigen van de meerwaarde van de projectweek. Tegenargumenten zoals het extra werk dat zoiets met zich meebrengt en het ‘urenverlies’ in een vaak (te) krap jaarplan, waren niet uitzonderlijk. Maar het is een utopie om een volledig lerarenkorps voor honderd procent achter een activiteit te krijgen. Daarom was de werkgroep heel blij om toch te kunnen vaststellen dat slechts enkelingen het over zich heen lieten gaan. De eindevaluatie was positief, hoewel de leerlingen signaleerden dat ze één week al voldoende vonden.

Hoe vond het vak Nederlands zijn plaatsje binnen dat geheel? De leerkrachten vergaderden per graad en beslisten om ex-Joegoslavië als algemeen thema te nemen. Binnen de graden werd een onderscheid gemaakt tussen de aso- en de tso/bso-leerlingen. De bedoeling was om een lessenpakket samen te stellen dat de leerlingen zoveel mogelijk op hun interesses zou aanspreken.

Voor de eerste graad A, optie moderne wetenschappen, vormden jeugdboeken het vertrekpunt. Deze werden, na een schets binnen de politieke gebeurtenissen van ex-Joegoslavië, creatief uitgewerkt. Door gebruik te maken van jeugdboeken kon ook woordenschatuitbreiding aan bod komen (in oorlogsverhalen wordt namelijk gebruik gemaakt van typische woorden en termen).

Voor de eerste graad B en de overige klassen van de A-stroom was de opdracht: verkoop je land aan buitenlanders; maak met andere woorden promotie voor België. Dat frietjes en chocolade hoge toppen scheerden, behoeft geen uitleg ...

Voor de tweede graad aso en tso werd opnieuw uitgegaan van jeugdboeken. Dit keer werd de inhoud van de boeken echter geëxtrapoleerd naar de huidige oorlogsgebieden – en naar de problematiek die er heerst. Het klassengesprek eindigde in een debat over

7

239