Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: Taalbeschouwing als leren redeneren met de kennis van je moedertaal (William Van Belle & Hans Smessaert)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

TWEEËNTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

Ronde 4

William Van Belle & Hans Smessaert

K.U. Leuven

Contact: William.VanBelle@arts.kuleuven.be Hans.Smessaert@arts.kuleuven.be

Taalbeschouwing als leren redeneren met de kennis van je moedertaal

In deze presentatie willen we de methode van grammaticaonderwijs toelichten die we al verschillende jaren gebruiken in de colleges Nederlandse taalkunde in de 1e bachelor Taal- en Letterkunde en Logopedische en Audiologische Wetenschappen aan de K.U. Leuven. Onze hoofddoelstelling daarbij is dat studenten leren om op basis van enkele parameters en algemene beginselen een beredeneerde analyse op te stellen van complexe woorden en zinnen. Bij die analyse dienen ze ook systematisch gebruik te maken van hun kennis van het Nederlands als moedertaal. In wat volgt, illustreren we die aanpak voor de syntaxis.

Voor de zinsanalyse gebruiken we drie (voor de hand liggende) parameters: de combinatie-, substitutie- en plaatsingsmogelijkheden van taalelementen.

De combinatiemogelijkheden van taalelementen in een zin zijn in sterke mate afhankelijk van de valentie van het werkwoord: een werkwoord specificeert één of meer open plaatsen die door constituenten van een bepaald type opgevuld moeten (of kunnen) worden om een welgevormde Nederlandse zin te verkrijgen. Die valentie kunnen we gemakkelijk oproepen met onbepaalde voornaamwoorden. Vergelijk: iemand wandelt, iemand geeft (aan) iemand iets, iemand is bang voor iemand/iets. Valentiebepaalde zinsdelen worden in de grammatica traditioneel benoemd als voorwerp en onderwerp. Niet-valentiebepaalde zinsdelen zijn dan bijwoordelijke bepalingen.

De parameter ‘substitutie’ betreft de vraag in welke mate constituenten in een zin substitueerbaar zijn door andere, en meer bepaald door een paradigma van voornaamwoorden of bijwoorden. Taalelementen die met het werkwoord een min of meer vaste verbinding vormen en bijgevolg deel uitmaken van de door het werkwoord uitgedrukte handeling, vertonen sterke beperkingen op het vlak van substitueerbaarheid. Hetzelfde geldt voor taalelementen die helemaal geen band hebben met de beschreven handeling zoals modale bepalingen (waarschijnlijk, helaas).

266