Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: Taalbeschouwing als leren redeneren met de kennis van je moedertaal (William Van Belle & Hans Smessaert)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

8. Taalbeschouwing

 

 

alle

leerlingen

hebben

gisteren

in de klas

van de

directeur

een

uitbrander

gekregen

persoonlijk/

aanwijzend

zij/die

 

dan/toen

daar

van hem

??dat

 

vragend

wie

 

wanneer

waar

van wie

??wat

 

onbepaald

iemand

 

ooit

ergens

van iemand

??iets

 

Wat de parameter ‘plaatsingsmogelijkheden’ betreft, dienen we rekening te houden met twee algemene principes van de woordvolgorde in het Nederlands: ‘de volgorde modificeerder-hoofd’ en ‘het inherentieprincipe’. Een niet-nevenschikkende woordgroep kan men zien als bestaande uit een hoofd en zijn modificeerder. De modificeer-der kan meestal vervangen worden door een vragende constituent, het hoofd niet (intelligente meisjes; wat voor meisjes? Intelligente). In het Nederlands is de volgorde ‘modificeerder vóór hoofd’ vrij algemeen. Ze komt voor in samenstellingen (tandenborstel), in constituenten (mooie, rode rozen), infinitiefconstructies (boeken lezen) en we vinden ze ook terug in de zogenaamde tangconstructie (ze hebben gisteren enkele cd’s gekocht) met het vervoegde werkwoord op de zogenaamde 1e pool en de andere werkwoordsvormen op de 2e pool. Modificeerders in de vorm van een voorzetselconstituent hebben echter vrijere plaatsingsmogelijkheden. In de regel kunnen ze ook na hun hoofd voorkomen (met een sleutel de deur openen; de deur openen met een sleutel). Als een hoofd tegelijk verschillende modificeerders heeft, wordt hun onderlinge volgorde vaak geregeld door het inherentieprincipe: de modificeerders die qua betekenis het nauwst met het hoofd verbonden zijn, staan er het dichtst bij. Taalelementen die met het werkwoord een hechte verbinding vormen zoals bijvoorbeeld in een werkwoordelijke uitdrukking, staan het dichtst bij de plaats van het zinswerkwoord (de 2e zinspool in een tangconstructie). In de ANS worden ze ook inherente elementen genoemd. Het inherentieprincipe en de volgorde modificeerder-hoofd verklaren voor een aanzienlijk deel de volgorde van de zinsdelen in de Nederlandse zin. Daarnaast speelt het pragmatische links-rechts-principe een rol in de verdeling van de aangeboden informatie over de zin (van bekend naar nieuw).

We illustreren onze methode hier kort met de analyse van een kop uit De Standaard van 3 juni 2008: “Kongo speelt België in de hoek”.

We merken vooreerst op dat spelen hier niet in één van zijn gangbare valenties gebruikt is: spelen gebruiken we gewoonlijk eenplaatsig (iemand speelt) of tweeplaatsig met een voorzetselvoorwerp (iemand speelt met/tegen iemand; iemand speelt om iets), maar niet met een lijdend voorwerp (en dus transitief) zoals hier blijkbaar het geval is. De valentiemogelijkheden van een werkwoord als spelen kunnen de studenten grotendeels halen uit hun kennis van het Nederlands. Het komt natuurlijk ook voor dat het nuttig is om een woordenboek te consulteren.

8

267