Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: Taalbeschouwing als leren redeneren met de kennis van je moedertaal (William Van Belle & Hans Smessaert)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

TWEEËNTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

Over de voorzetselconstituent in de hoek zijn verschillende observaties te maken:

1. Wat de valentie van spelen betreft, kunnen we opmerken dat weglating van in de hoek een niet-welgevormde zin oplevert: *Congo speelt België. De voorzetselconstituent is dus blijkbaar een noodzakelijk onderdeel van de zin en zorgt er bovendien voor dat de valentie van spelen verandert in een transitief werkwoord.

2. Voorzetselconstituenten hebben vrijere plaatsingsmogelijkheden dan andere constituenten: ze kunnen niet alleen in het middenstuk van de zin voorkomen, maar ook op de laatste zinsplaats (i.e. na de tweede zinspool). Zoals de zin er staat, kunnen we echter niet uitmaken of in de hoek in het middenstuk staat of op de laatste zinsplaats. Daarom zetten we het werkwoord in een voltooide tijd zodat er een duidelijke tweede zinspool aanwezig is. Het blijkt nu dat in de hoek niet op de laatste zinsplaats kan staan, maar alleen vlak voor de tweede zinspool, dus op de plaats van de inherente elementen. Vergelijk:

  1. Congo heeft België in de hoek gespeeld.

  2. *Congo heeft in de hoek België gespeeld.

  3. *Congo heeft België gespeeld in de hoek.

3. Plaats- en richtingsaanduidingen kunnen in een zin optioneel of noodzakelijk zijn. In het laatste geval spreken we beter over plaats- en richtingsvoorwerpen. Vergelijk het verschil tussen Hij las een boek (in de tuin) en Zij zette de vaas in de hoek. Plaats- en richtingsvoorwerpen hebben in het Nederlands als kenmerk dat ze in de regel niet op de laatste zinsplaats voorkomen, maar vlak voor de tweede zinspool bij de inherente elementen. Vergelijk:

  1. Hij heeft (in de tuin) een boek gelezen (in de tuin).

  2. Zij heeft de vaas in de hoek gezet.

  3. *Zij heeft de vaas gezet in de hoek.

Dergelijke plaats- en richtingsvoorwerpen zijn substitueerbaar door een paradigma van bijwoorden en/of voornaamwoordelijke bijwoorden: Zij heeft de vaas daar/ergens gezet. Die substitutiemogelijkheden wijzen erop dat die voorwerpen op verschillende manieren lexicaal ingevuld kunnen worden. De voorzetselconstituent in de hoek in Congo speelt België in de hoek heeft die substitutiemogelijkheden duidelijk niet: *Congo speelt België daar/daarin.

Dat wijst erop dat in de hoek en spelen hier een hechtere verbinding vormen dan gewoonlijk het geval is bij de combinatie van een werkwoord met een plaats- of richtingsvoorwerp.

De interactie tussen de drie parameters leidt tot een minder strakke benadering van syntactische categorieën zoals voorwerp en bepaling. Naast duidelijke, prototypische

268