Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: AN, BN, NN en een snuifje SN. Regionale variatie in het Nederlands (Willy Smedts)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

TWEEËNTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

Woorden worden niet naar herkomst, maar naar hun functioneren, hun ingebed-zijn in de taalgemeenschap, gelabeld.

Woorden voor cultuurgebonden fenomenen worden verder onderverdeeld in domeinen als ‘administratie’ (bv. antigifcentrum) of ‘culinaria’ (bv. boterkoek).

Bij niet-cultuurgebonden fenomenen onderscheidt het RBBN ‘omgangstalige woorden’ (bv. appelsien), ‘substandaardwoorden’ (bv. camion) en zogenaamde ‘Belgische varianten’. ‘Omgangstalige woorden’ worden niet als voorkeursvorm beschouwd – althans niet in de schrijftaal – ook al worden ze vaak in de spreektaal gebruikt. ‘Substandaardwoorden’ worden door prestigesprekers van het Nederlands in België niet gebruikt en/of het gebruik ervan wordt afgekeurd. De categorie ‘Belgische varianten’ bestaat uit vier subcategorieën: ‘niet-gelexicaliseerde varianten’, ‘unieke varianten’, ‘vrije varianten’ en ‘varianten met restricties’. Voor de eerste bestaat er in het Nederlandse Nederlands geen gelexicaliseerde variant (bv. aprilse grillen). ‘Unieke varianten’ zijn woorden waarvoor wel een Nederlands Nederlands woord bestaat, maar dat niet of nauwelijks in België voorkomt (bv. croque-monsieur). Van de ‘vrije varianten’ daarentegen is het Nederlands Nederlandse alternatief in België wel bekend en wordt het naast het Belgische woord gebruikt (bv. valies naast koffer). Hetzelfde geldt voor de ‘varianten met restricties’ als ‘verouderd’ (bv. doelwachter vs. keeper) of ‘studententaal’ (bv. schacht vs. eerstejaarsstudent).

5. Normatieve relevantie

De vraag is of de descriptieve classificatie van het RBBN ook normatieve waarde heeft. Met andere woorden, correspondeert ze met het oordeel van taalgebruikers over wat standaardtaal is? Om daar een idee van te krijgen, hebben we 118 leerkrachten Nederlands en 24 studenten Nederlands gevraagd zestig Belgisch-Nederlandse woorden – acht ‘unieke varianten’, tweeëntwintig ‘niet-gelexicaliseerde varianten’ en dertig ‘vrije varianten’ – te beoordelen als zijnde ‘standaardtaal’ of ‘geen standaardtaal’ (zie: Deschamps & Smedts 2004). ‘Cultuurgebonden woorden’, ‘omgangstalige woorden’ en ‘substandaardvarianten’ zijn niet in het onderzoek betrokken omdat er over hun al dan niet standaardtalig zijn weinig of geen discussie bestaat. Ook ‘gerestringeerde varianten’ zijn niet onderzocht.

Het blijkt dat de Belgische informanten ‘unieke’ en ‘niet-gelexicaliseerde varianten’ significant vaker als standaardtaal beschouwen dan ‘vrije varianten’. Er zijn wel enkele opvallende uitzonderingen, maar die zouden met een onjuiste of minder gelukkige classificatie te maken kunnen hebben. Die classificatie verdient dus nader te worden getoetst. Doorgaans is het RBBN-model normatief relevant.

278