Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: Taalzorg in Vlaanderen. Over chaos, schijnemancipatie en de taalmengtafel (Johan De Schryver)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

TWEEËNTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

Ten eerste is er het boek van Jan Blommaert & Piet Van Avermaet, Taal, onderwijs en de samenleving. De kloof tussen beleid en realiteit. Ze wijzen erop dat een verhoogde nadruk op correctheid, op juist-en-foutkwesties, zoals onderwijsminister Frank Vandenbroucke volgens hen aanbeveelt, leidt tot “meer ongelijkheid, meer uitsluiting, meer discriminatie, en niet enkel voor allochtonen” (59). Ze richten hun pijlen daarmee echter niet tegen elke vorm van taalzorgonderwijs, maar wel tegen een uniformerende taalideologie. Het taalzorgonderwijs – zelfs “klassiek taalonderwijs” genoemd – kan volgens de auteurs wel, als dat gebeurt binnen een verantwoord taalbeschouwelijk kader: “Men kan nog steeds de standaardvariant onderwijzen, maar men moet hem onderwijzen als variant van ‘de’ taal” (113).

Ten tweede is er het breed opgezette taalcultuurhistorische essay van Joop van der Horst, met de suggestieve titel Het einde van de standaardtaal. Volgens de auteur zitten we in een overgangstijd waarin veel verworvenheden van de renaissance verloren gaan, o.a. onze houding tegenover taal, en in het bijzonder tegenover standaardtaal. Dit betekent concreet dat de monolithische, statische opvatting van taal en standaardtaal, de angst voor taalverandering, de idee van de maakbaarheid van standaardtaal, en de standaardtaal zelf als een wereldvreemde code van een elite, verdwijnt. De auteur benadrukt echter herhaaldelijk dat het proces zich nog niet geheel voltrokken heeft. Hij weet immers ook: “Denkpatronen, gewoontes, instrumenten en instituten plegen hun geestelijke achtergrond ver te overleven. Ook zullen de gevolgen van 500 jaar verkaveling nog lang doorwerken. Men denke niet in decennia maar in eeuwen” (319).

De veranderingen die Van der Horst signaleert nopen dus zondermeer tot een ander taalonderwijs, met een andere taalideologie. Tegelijk moet het onderwijs nog steeds voorbereid zijn op de normatieve, ‘renaissancistische’ taalcultuur die vandaag in Vlaanderen ook nog steeds een realiteit is.

De nood aan taalzorgonderwijs lijkt me groot, maar er zijn twee voorwaarden:

  • Het moet ingebed worden in een modern taalbeschouwelijk kader dat de sociolinguïstische competenties van de leerlingen vergroot en hen inzicht geeft in taalvariatie en het continuümkarakter van taal.

  • De standaardtaalbeheersing van de leerlingen moet getraind worden. Hiervoor is de voorwaarde dat die standaardtaal op een betrouwbare manier wordt afgebakend: wat behoort nu precies tot die standaardtaal?

Aan de eerste voorwaarde is vrij gemakkelijk tegemoet te komen. Ik zal op het einde van deze lezing een voorstel doen om het gewenste taalgebruikmodel didactisch te concretiseren. Maar eerst en vooral wil ik het hebben over de tweede voorwaarde, die voorlopig bijna onmogelijk te vervullen valt.

280