Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: Taalkunde?! Het aanbieden van taalkunde in de bovenbouw met behulp van de taalvaardigheden (Jessica van Disseldorp)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

8. Taalbeschouwing

de tweede fase en negen van de tien zullen zeggen dat er geen tijd voor is. “Het PTA zit te vol”, is een vaak gehoord argument. Tijdens mijn afstudeeronderzoek voor de Master Nederlands aan de lerarenopleiding ben ik daarom op zoek gegaan naar een oplossing voor dit probleem. Mogelijkheden die weinig of geen extra tijd kosten, hebben daarbij voornamelijk mijn aandacht gehad.

In het onderzoek heb ik de mogelijkheden onderzocht om taalkunde te combineren met schrijfvaardigheid en mondelinge taalvaardigheid. Leesvaardigheid is bewust buiten beschouwing gelaten, omdat leesvaardigheid al ingebed is in de andere vaardigheden. De leerlingen moeten namelijk een gedocumenteerde opdracht maken, waardoor ze zowel bij schrijven als bij spreken bezig zijn met leesvaardigheid. Mijn hypothese was dat de combinatie van taalkunde en mondelinge taalvaardigheid het meest effectief zou zijn, omdat leerlingen meer leren door informatie aan anderen te vertellen dan door informatie op te schrijven. Uit de leerpiramide blijkt namelijk dat leerlingen 90% leren van wat ze aan anderen uitleggen. Leerlingen die zich voorbereiden op een mondelinge voordracht of op een schrijfopdracht hebben van te voren nagedacht over hun mening met betrekking tot het onderwerp. Leerlingen die bezig zijn met een mondelinge voordracht moeten echter extra goed nadenken over hun onderwerp, omdat ze hun zinnen niet letterlijk kunnen uitschrijven, wat wel het geval is bij een schrijfopdracht. Leerlingen die een mondelinge voordracht voorbereiden, moeten ook na hun voordracht vragen beantwoorden van hun luisteraars. Hierdoor zijn ze intensiever met de stof bezig.

Tijdens het onderzoek is gebruik gemaakt van drie onderzoeksgroepen: een groep schrijfvaardigheid, een groep mondelinge vaardigheid en een controlegroep. De eerste groep hield zich bezig met een gedocumenteerde schrijfopdracht. De tweede groep hield een gedocumenteerde voordracht en de laatste groep kreeg geen onderwijs in taalkunde. Bij aanvang van het onderzoek werden alle groepen onderworpen aan een nulmeting. Hiermee heb ik het niveau van de taalkundige kennis van de leerlingen aan het begin van het onderzoek vastgesteld. Voor de vormgeving van de nulmeting werd beroep gedaan op het werk van Hendrix (1997). Concreet werden 25 vragen uit de nulmeting die hij in zijn onderzoek uitvoerde, geselecteerd. Die selectie berustte niet op willekeur. Ten eerste zijn alle vragen geschrapt, die niets met de onderwerpen uit mijn onderzoek te maken hadden. Ten tweede zijn een aantal vragen geschrapt die onvoldoende onduidelijk of verwarrend waren. Uiteindelijk bevatte de nulmeting in mijn onderzoek twee soorten vragen: (1) vragen over de algemene taalkennis en (2) vragen die handelden over een onderwerp dat in het onderzoek aan de orde kwam. Na de nulmeting werkte elke onderzoeksgroep een eigen programma af.

De groep schrijfvaardigheid ging aan de slag met het schrijven van een uiteenzetting, een beschouwing of een betoog. Er is gebruik gemaakt van drie tekstsoorten, omdat niet elk taalkundig onderwerp zich leent voor dezelfde tekstsoort. De leerlingen begonnen met documenteren. Hiervoor kregen ze een informatiemap over één van de

8

285