Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: Taligere lessen en toch geen taallessen? Werk maken van schooltaalvaardigheid en schooltaalcompetenties in de niet-taalvakken (Nora Bogaert)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

TWEEËNTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

We vertrekken vanuit een concreet lesscenario dat grondig onder de loep wordt genomen en bekijken een aantal lesopzetten (ook voor TSO en BSO) die de aanpak verder illustreren.

  1. Het terrein prepareren

Om de leermaterie-in-spé inzichtelijk te kunnen verwerven, moeten de leerlingen ze kunnen aanhaken aan reeds aanwezige kennis. Die activeer je door de leerlingen het woord te geven in een klassikaal gesprek of – beter nog – in kleine groepjes. Er bestaan diverse werkvormen om iedereen te betrekken bij dat proces van kennis verwoorden en kennis delen met elkaar. Maar om echt te kunnen leren, moeten de leerlingen beschikken over álle kennis die ‘funderend’ is voor de opbouw van de nieuwe materie. En die basiskennis (van de wereld en van de taal om die in te vatten) is niet altijd voorradig. Die kun je echter doen verwerven door een belevingssituatie te scheppen, onder meer via een doe-opdracht of via een werkelijkheidsnabije probleemstelling waarop de leerlingen met persoonlijke of groepsgewijze geformuleerde hypothesen moeten reageren. Doorheen het uitvoeren van de opdracht of het zoeken naar een antwoord komt de klas voor vragen te staan waardoor de leerlingen behoefte hebben aan meer kennis, verdere exploratie of experimenteren. Als je de doe-opdracht en probleemstelling daarenboven zo kiest dat ze een sterke band hebben met wat de leerlingen bezighoudt of wat voor hen herkenbaar is, ervaren ze de leermaterie-in-spé als waardevol en relevant.

Praten bij en over hier-en-nu-belevingen gebeurt sowieso in een taal die nauwer aansluit op die van alledag. Doordat in deze fase vooral de leerlingen het woord hebben, gebeurt de communicatie niet via het vakmatig taalgebruik dat de vakspecialist hanteert. Wat je wel kunt doen, is hier en daar een vakmatige term in de interactie inbrengen. Als je zelf het woord neemt, maak je af en toe gebruik van schoolsere manieren van zeggen, maar je pendelt hierbij voldoende heen en weer tussen een schoolse en een meer alledaagse verwoording. Zo effen je de weg naar specialistentaal en vakjargon die gaandeweg meer en meer zullen opduiken in de volgende lesfasen. Zo vergemakkelijk je het proces van betekenisgeving aan vak- en algemene schooltaal en maak je duurzame verwerving ervan mogelijk. Je voorkomt talige hinderpalen voor ze in je vak een probleem voor het leren kunnen vormen.

  1. Aan het werk zetten

Niet alleen in de introductiefase, maar ook wanneer ‘het echte werk’ moet worden uitgevoerd, geef je de leerlingen een uiterst actieve rol. Ze handelen, denken, overleggen, verwerken de mondelinge informatie die je aanbiedt, raadplegen geschreven bronnen, schrijven informatie op, etc. Dat doen ze niet omdat jij het hen oplegt, maar omdat ze je vragen en probleemstellingen zo intrigerend vinden en je doe-opdrachten zo

304