Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: Het interviewverslag (Charlotte Hardeman)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

TWEEËNTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

In veel gevallen is de kop van een kranteninterview een boeiend citaat. Als je daarbovenop nog taalkundig kunt scoren met klankeffecten, beeldspraak, contrast, een woordspeling, etc., rijf je de lezer gemakkelijker binnen. De intro is dan de eerste echte service aan de lezer: je gooit hem iets toe wat kan intrigeren en licht een tipje van de sluier in verband met de inhoud van je verslag. De intro is een smaakmaker en als dusdanig geen noodzakelijk onderdeel van de tekst. Hij is dan ook vet of cursief gedrukt. De kop en de intro vergen wat creativiteit. Je kunt ze dus het beste opschrijven als je op een leuk idee stoot, en dat kan evengoed aan het einde van de rit zijn als bij het begin. Dan volgt je eigenlijke artikel, met de openingsalinea, de ‘lead’: een terugblik in de tijd, een betekenisvolle anekdote, een beschrijving van de ruimte, de sfeer, een verwijzing naar de actualiteit, etc. Vaak heeft een lead een zeker ‘wie-wat-waargehalte’. Ook op andere manieren kun je met de aandacht van de lezer spelen. Je plaatst bijvoorbeeld vakkundig enkele tussenkoppen – dat zijn één à twee kernwoorden die aangeven wat in de daaropvolgende rubriek volgt – en je leidt de lezer naar de plaats waar die weer opduiken. Met goed gekozen quotes – die je tussen de kolommen plaatst in een afwijkend lettertype – kun je hetzelfde doel bereiken: de lezer gaat grasduinend op zoek naar de geciteerde passage om daar de volledige draagwijdte van het citaat te vinden.

Na de inleidende lessenreeks, waarin de bovenstaande schrijfconventies via authentiek materiaal worden geïllustreerd en bestudeerd, kunnen de leerlingen als ‘volleerde journalisten’ aan de slag. De leraar kan uiteenlopende schrijfopdrachten geven. De leerlingen nemen zelf een interview af, kiezen een basisvorm om het te verwerken en fleuren hun verslag op met blikvangers. Of ze krijgen een transcript van een bestaand interview, bv. van een interview dat leeftijdsgenoten afnamen. Ze poetsen de taal op, herschikken de vragen tot een eigen geheel en bewerken de tekst tot een kranteninterview. De leraar kan ook werken met audiomateriaal: je laat een interview beluisteren (eventueel bekijken) en de leerlingen noteren zoveel mogelijk wat daarin gevraagd en gezegd werd. Daarna gieten ze dat in een bepaald type interviewverslag. Het audiomateriaal hoeft zelfs geen interview te zijn. Ook andere genres lenen zich daartoe: een dag uit het leven van, een portret, etc.

Omdat de schrijffase heel wat aandachtspunten bevat, krijgen de leerlingen een checklist die ze als zelfevaluatie kunnen hanteren tijdens en na het schrijven. Daarin staat alles opgelijst: de onderdelen en de gemaakte afspraken in verband met inhoud en lay-out. Een meer verfijnde lijst kan dan dienen als evaluatie voor de leraar: is het verslag duidelijk, zijn taal en spelling correct, is de stijl aantrekkelijk, komen er geen registerfouten in voor?

Leerlingen leven tegenwoordig in een cultuur waarin de visuele prikkels elkaar verdringen. Ze zijn dan ook gediend met opdrachten waarin ze bewust met vorm bezig zijn. Bovendien is die vorm gerelateerd aan inhoudelijke keuzes, die hen doordacht met de

330