Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: De taal van de andere gemeenschap leren. De invloed van contact op taal(leer)attitudes t.a.v. het Nederlands en het Frans in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel (Laurence Mettewie)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

TWEEËNTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

Vlaanderen. De aanwezigheid van een omvangrijke groep moedertaalsprekers wordt vermoedelijk onvoldoende uitgespeeld als troef voor de Nederlandstaligen in de lessen Frans als vreemde taal.

Naast positievere attitudes ten aanzien van de ‘andere’ taal en taalgemeenschap, blijkt de contactsituatie ervoor te zorgen dat de Franstalige leerlingen in het NoB een grotere openheid vertonen ten aanzien van meertaligheid en culturen. Bovendien geven vergelijkende analyses aan dat positieve attitudes ten aanzien van de Nederlandse taal en cultuur en meertaligheid in het algemeen niet leiden tot negatieve attitudes ten aanzien van de moedertaal en de eigen cultuur. Franstalige leerlingen in het NoB blijven een onderscheid maken tussen hun eerste en tweede taal en vertonen een voorkeur voor de eigen taal en cultuur. Ze blijken zelfs nog gemotiveerder te zijn om hun moedertaal te leren dan hun Franstalige leeftijdsgenoten in Franstalige scholen in Brussel en Wallonië.

Op de attitudes ten aanzien van de taalles zelf blijkt contact geen invloed te hebben. Tot slot geven de analyses uit deze studie aan dat er een verband is tussen attitudes – en in mindere mate motivatie – ten aanzien van de tweede taal en de beheersing van die taal (Mettewie 2004). Anders gezegd: hoe positiever de attitudes ten aanzien van het Nederlands (van de Franstaligen), hoe hoger de taalvaardigheid. Het omgekeerde geldt uiteraard ook: hoe negatiever de attitudes, hoe minder goed de taal beheerst wordt. Wat de statistische analyses niet vertellen, is de richting van het verband, waardoor het voorlopig als het verhaal van de kip of het ei klinkt.

Blijft dan de vraag wat een vakleerkracht Nederlands hiermee moet aanvangen in Brussel, maar ook in andere Nederlandstalige onderwijscontexten met een groep anderstalige taalleerders van het Nederlands.

Eén van de kenmerken van attitudes is dat die voortkomen uit socialisatieprocessen en beïnvloed worden door stereotypen, beschikbare informatie en gangbare ideeën, alsook door mensen met een voorbeeldfunctie, zoals ouders, journalisten, artiesten en leerkrachten. Taalleerkrachten kunnen dus zeker een steentje bijdragen door het imago van de taal op te poetsen en het authentieker en aantrekkelijker te maken. Zo kunnen ze ervoor zorgen dat een aantal clichés ontkracht worden (zoals bijvoorbeeld dat het Nederlands een lelijke, ruwe en moeilijke taal is). Ook contact met moedertaalsprekers in de klas, maar ook buiten en waarom niet over de taal- of staatsgrenzen heen (werken rond taalverschillen in Vlaanderen en Nederland stimuleert ook anderstalige leerlingen om te werken rond wat Nederlands is, hoe het varieert, hoe het functioneert, etc.) kan een positieve dynamiek op gang brengen die bevorderlijk kan zijn voor zowel de taalattitudes als voor de taalontwikkeling.

70