Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: Wit Brussel. Over oudere literatuur en het secundair onderwijs (Remco Sleiderink)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

TWEEËNTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

Ronde 8

Remco Sleiderink

Hogeschool-Universiteit Brussel

Contact: remco.sleiderink@hubrussel.be

Wit Brussel. Over oudere literatuur en het secundair onderwijs

Oudere literatuur in het secundair onderwijs... Moet het nog? Mag het nog? In De Standaard daagt André Mottart – voorzitter van de Stichting Het Schoolvak Nederlands en vakdidacticus Nederlands aan de Universiteit Gent – de leraren Nederlands uit:

“Vondel geef ik meestal niet meer. En Guido Gezelle ook niet. Voor sommigen is dat wellicht heiligschennis. Maar een naam met twee data en enkele titels bij heeft geen enkele zin. Dat vergeet je meteen. Je botst op de beperking dat mensen niet tot zich kunnen nemen wat ze niet tot zich willen nemen, omdat ze er helemaal niets mee hebben. Maar intussen had je ook wel vaardigheden kunnen overbrengen...” (Verhoeven 2006).

Terecht of niet, Mottart associeert oudere literatuur met traditioneel onderwijs dat enkel gericht is op reproductie van kennis en dat geen rekening houdt met de snel veranderende schoolpopulatie. Hij gruwelt ervan. “Geef mij één goeie reden waarom we die teksten nog in de klas zouden geven...” (Verhoeven 2006).

Natuurlijk zijn er ook andere geluiden te horen, vooral de laatste tijd. In Nederland – het vroegere gidsland van het ‘nieuwe leren’ – is in een rapport van de Tweede Kamer gepleit voor een herwaardering van cultuuroverdracht in het onderwijs (Dijsselbloem e.a. 2008). Het gebrek aan aandacht voor ‘de eigen kunst en cultuur’ en het gebrek aan ‘literaire bagage’ bij de leerlingen wordt betreurd en men beargumenteert dat juist migrantenkinderen baat hebben bij “meer onderwijstijd waarin hun die culturele kennis wordt bijgebracht” (111). De Canon van Nederland wordt daarbij genoemd als een geslaagde vorm van het aanbrengen van ‘gedeelde kennis’.

Als literatuurhistoricus zou ik misschien blij moeten zijn met deze tegenreactie die de literaire canon immers weer onder de aandacht wil brengen. Maar dat ben ik niet. Ik vrees dat zo’n kennisgericht onderwijs – of onderwijs dat de literaire traditie centraal stelt – gemakkelijk kan ontaarden in “de restauratie van culturele normen en waarden van de maatschappij van gisteren” (vgl. Jaspaert e.a. 2006). Ronduit beangstigend vind

72