Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: Interactievaardigheden bij onderzoekend en ontwerpend leren in het basisonderwijs (Marja van Graft)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

1. Basisonderwijs

1

vinden (A7, B7). En bij het uitvoeren van het ontwerp (B4) kan het nodig zijn om het materiaal opnieuw te verkennen (B2, verkennen) of te onderzoeken (A3, A4). Je zou kunnen zeggen dat er kleine cycli zijn, die kinderen doorlopen. Uiteindelijk komen kinderen bij de conclusie of bij de oplossing terecht.

3. Gesprekken leiden in de groep

OOL is een interactief proces, waarbinnen het gesprek een belangrijke plek heeft. Het gesprek staat centraal in de driehoek taal-denken-kennis. Kinderen denken en praten mee in de richting van oplossingen voor een probleem, over de voorspellingen die zijn gedaan of over de conclusies die zijn getrokken. Maar hoe begeleid je dat als leraar? Wie stelt vragen en wie beantwoordt ze? Hoe zorg je voor zinvolle discussies?

Interactie vraagt van zowel leraar als kinderen om een ander soort gedrag dan het gedrag dat in veel onderwijssituaties gangbaar is. De vragen van de kinderen staan centraal. OOL vraagt van leraren dat ze kinderen stimuleren om te vertellen wat ze denken of wat ze willen weten, wat ze ergens van vinden en of ze het eens zijn met wat een ander kind vertelt of beweert. Zo kan een ‘fout’ antwoord het begin zijn van een interessante discussie over hoe iets werkt, in elkaar zit of waardoor iets komt. Het vraagt van leraren om ruimte te geven aan kinderen; het daagt kinderen uit om na te denken, om hun gedachten onder woorden te brengen en om te letten op wat anderen vertellen.

De meeste kinderen zijn het niet gewend om te reageren op wat een ander kind zegt en in te gaan op de inhoud, om – kritische – vragen te stellen of opmerkingen te maken. Als ze vragen stellen, gaat het meestel over het proces en niet over de inhoud. Kortom: het vraagt van de leraar om een goed gespreksleider te zijn en om de signalen van de kinderen op te pikken. Hij moet het gesprek de ruimte geven, maar ook focussen op de inhoud van de les. En de leerlingen moeten leren om met elkaar in gesprek te gaan.

Een doelgerichte strategie die leraren kunnen gebruiken is het ‘hernemen en teruggeven’ van uitspraken van kinderen. Daarbij:

  • herformuleert de leraar wat door een kind is ingebracht door andere – juiste – begrippen te introduceren en/of de zinsconstructie te verbeteren;

  • geeft de leraar het terug aan dat kind;

  • vraagt de leraar of dit is wat het kind bedoelde;

  • vraagt de leraar andere kinderen of ze het hiermee eens kunnen zijn;

  • kan een kind of de leraar een ander idee naar voren brengen (vanaf dit moment kan de gesprekscyclus opnieuw doorlopen worden).

9