Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 22 | Tweeëntwintigste Conferentie Het Schoolvak Nederlands (2008)

Download deze volledige bundel in PDF-formaat »

Bijdrage: Werken met taalcoaches in het mbo (Jolien Drent & Pia Niemeijer)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

3. Competentieleren

gebied van taal. Een eerste stap is om met vakdocenten na te gaan welke taaleisen eigenlijk gesteld worden in hun vak, want vaak zijn docenten zich daar niet van bewust. Het is nuttig om in een team te bespreken of die eisen reëel zijn dan wel of in de loop van de jaren een andere opbouw wenselijk is. Specifieke trainingsprogramma’s, gericht op leesstrategieën of schoolse woordenschat kunnen nuttig zijn, maar de transfer van deze kennis en vaardigheden naar de vaklessen vraagt om meer. In alle schoolvakken is het leren van nieuwe begrippen, vaardigheden en inzichten niet los te zien van taalverwerving. Leerpsychologische inzichten geven aan hoezeer het zelf verwoorden van verbanden bijdraagt tot leren en hoe belangrijk het actief gebruiken van nieuwe begrippen dus is. Ook vanuit taalverwervingsonderzoek is dat verband duidelijk en het blijkt goed mogelijk om vakonderwijs en taalverwerving te integreren in het leerplan en de didactiek van een taalgerichte aanpak.

Taalbeleid beslaat dus de hele organisatie en vraagt om extra geld en middelen. En dat niet eenmalig, maar voortdurend vanaf de implementatie van competentiegericht onderwijs.

Uit de praktijk blijkt dat taalontwikkeling die in samenhang plaatsvindt met de verwerving van beroepsgerichte kennis en vaardigheden het meest rendeert (Bolle, 2006: 3). Competentiegericht leren levert bovendien veel mogelijkheden op voor de integratie van taal- en vakleren in zinvolle contexten (Hajer & Meestringa 2004: 18).

Verhallen (2007: 22-23) meent dat onderstaande aanpakken naast elkaar moeten worden toegepast:

3.1 Integratie van taalontwikkeling in alle lessen van het beroepsonderwijs

De taalvaardigheden die met beroepshandelingen verbonden zijn, kunnen in de beroepslessen aan de orde komen en daar verder ontwikkeld worden. Dat is functioneel en bruikbaar voor de leerling. Daarnaast ziet hij veel eerder de noodzaak van de oefening en de vaardigheidstraining in, als het gaat om iets dat op de werkvloer of de stageplek regelmatig voorkomt: bv. gespreksvaardigheid verbinden met werkoverleg en dat weer koppelen aan de bespreking van beroepsgerichte vakinhouden, dus leren vergaderen en praten, en meteen de specifieke handelingen en weetjes van het werk er in betrekken. Het aardige is dat er voor zulke combinaties van ‘taal leren’ en ‘beroep leren’ tal van mogelijkheden zijn in een schoolweek. De oefenfrequentie voor de leerling kan dus enorm worden opgevoerd. Bij de integratie van taalontwikkeling en de ontwikkeling van beroepsgerichte competenties is het wel nodig dat ook de niet-taaldocenten weten wat ze moeten doen en waar ze op moeten letten. Er zal dus enige overdacht van taaldidactiek naar de collega’s van de vakopleiding moeten plaatsvinden. De vakopleiders zullen merken dat ze daar bij de eigen lessen en taken enorm van kunnen profiteren.

3

91